Beroepschrift Raad van State

 

Afdeling Bestuursrecht Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

 

Datum: 17 februari 2011

Onderwerp: Beroepschrift Windpark Noordoostpolder

 

 

Geacht College,

 

Bijgaand ontvangt u ons beroepschrift waarin wij onze bezwaren ter beoordeling aan uw College neerleggen. Het betreft een beroepschrift tegen het inpassingplan “Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder” en tegen de in de kennisgeving besluiten voor windpark Noordoostpolder d.d. 6 januari 2011 (Stcrt 227) genoemde besluiten.

 

Het beroepschrift heeft de volgende indeling

-Voorwoord

-Inleiding

1. Grondslag

2. Europese regelgeving

3. ADC toets

4. Lokatie

5. Geluid

6. Dijken

7. Vogels

8. Vleermuizen

9. Economie

10. Lichtvervuiling

11. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

12. Infrastructurele voorzieningen

13. Bouwtermijn

14. Scheepvaart

 

Verder treft u in de bijlage het rapport van Deltares aan alsmede een lijst van appelanten. Vanwege de ingrijpende gevolgen van een mogelijk falen van de waterkering als gevolg van de aanleg en het gebruik van de parken (met bijbehorende dijkdoorkruisingen) zijn ook de appellanten die geen direct zicht hebben op het windpark rechtstreeks in hun belangen getroffen, en dienen zij als belanghebbende te worden aangemerkt. Inzake natuur, milieu alsmede staatssteun strekt de ontvankelijkheid van appelanten verder dan direct zicht op de windturbines. Indien gewenst kan dit nader worden toegelicht.

 

Wij zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

 

Met vriendelijke groet,

Namens appelanten

 

L. de Vries

M. Pasterkamp

 

 

Voorwoord

Na jarenlange protest heeft onze minister Maxime Verhagen op 6 januari 2011 toch vergunningen verleend voor het windpark Noordoostpolder. Dit heeft hij gepubliceerd in de Staatscourant met een serie besluiten. Belanghebbenden kunnen hier tegen in beroep gaan indien zij een zienswijze hebben ingediend in de voorbereidende fase. Een groep belanghebbenden hebben zich verzameld en dienen tesamen dit beroepschrift in teneinde deze waanzin door een onafhankelijk en het Nederlands hoogste juridisch bestuursrecht orgaan halt te laten roepen.

 

Inleiding

De wetgever heeft voor dit omvangrijk project de rijkscoordinatieregeling van toepassing verklaard. Hiermee beoogt men de serie besluiten overzichtelijk te houden. De zorgvuldigheid hierin heeft echter niet het aantal besluiten kunnen minimaliseren. Een park van dergelijke omvang bevat nu eenmaal vele juridische aspecten. Het is echter moeilijk voor een burger om binnen zes weken een goed beroepschrift op te stellen. Net als de serie besluiten verdient het park namelijk ook een zorgvuldig en volledig beroepschrift. Derhalve zal worden gepoogd om per onderwerp de beroepsgronden zo zorgvuldig mogelijk uiteen te zetten onder vermelding naar de voorgaande zienswijzen.

 

1. Grondslag

1.1. Het onderhavige windpark is gebaseerd op het voornemen van de Staat om hernieuwbare energie te stimuleren. Zowel in het ontwerp besluit inpassingsplan alsmede in het ontwerp MER wordt diverse malen verwezen naar het werkprogramma “Schoon en Zuinig”. Er wordt met dit werkprogramma geschermt als rechtvaardigheidsgrond voor het windpark. Derhalve heeft belanghebbende een zienswijze ingediend over de omstandigheden van de totstandkoming van dit werkprogramma alsmede het beoogde doel.

1.2. In de vierde overweging van het Rijksinpassingeplan wordt bijvoorbeeld verwezen naar het werkprogramma “Schoon en Zuinig” uit 2007. Deze kleine verwijzing doet afbreuk aan het programma. Het programma zelf stelt namelijk kritische noten bij windenergie. Op pagina 10 kan worden nagelezen dat er lokale en landschappelijke problemen worden verwacht bij de plaatsing van windturbines. Ook dit rapport voorziet problemen in de dag/nacht- en seizoensfluctuaties in het energieaanbod. Het rapport zegt zelfs: “En zo zijn er nog wel wat punten die aandacht behoeven”. Helaas krijgt dit project deze aandacht niet van de ministeries.

1.3. Het werkprogramma werkt met een zogenaamde instrumentenmix. Dit is beschreven op pagina 24 en verder in hoofdstuk 4. Deze instrumentenmix bevat marktprikkels, normering, instrumenten gericht op innovatie, tijdelijke stimulansen en internationale klimaat- en energiediplomatie. Het onderhavige project druist echter in tegen deze instrumentenmix door de zware subsidies die de Staat verstrekt aan de initatiefnemers. Deze subsidies kunnen namelijk niet meer worden geschaard onder “tijdelijke stimulansen” aangezien het project bijna volledig wordt gefinancierd door de subsidies. Zonder deze subsidies is het park niet levensvatbaar.

1.4. Deze zware subsidies nemen hiernaast ook de stimulans weg om op zoek te gaan naar innovatieve technologieen. De concurrentiekracht wordt weliswaar versterkt ten opzichte van andere landen door deze oneigenlijke staatssteun. De beoogde interne concurrentiekracht blijft echter uit. Voor dit plan krijgen krijgen de initiatiefnemers ruim 100 miljoen euro aan innovatiesubsidie. Deze innovatie is echter niet omschreven, aangetoond of zeker gesteld. De 10x grotere exploitatiesubsidie laat zien dat dit deel zwaar onderschikt is. De exploitatiesubsidie neemt daarmee de stimulans weg voor innovatie.

1.5. In september 2007 is het werkprogramma “Schoon & Zuinig” beoordeeld. In de “beoordeling werkprogramma Schoon & Zuinig”  zijn de ambities onbereikbaar genoemd. In de beoordeling worden vraagtekens gesteld bij de vele aannames die ongegrond zijn genomen. Als voorbeeld wordt verwezen naar het genoemde scenario met een economische groei van 2,9% per jaar. Dit scenario was ten tijde van het opstellen van het werkprogramma al zeer rooskleurig ten opzichte van het Coalitieakkoord van 2.0% per jaar. Een citaat uit het Coalitieakkoord: “Bij een economische groei van 2% is minde reductie van broeikasemmissies nodig voor het realiseren van de klimaat- en energiedoelen”. Toentertijd heeft het kabinet duidelijk geen rekening gehouden met de huidige crisis. Inmiddels is er namelijk geen sprake van economische groei maar juist economische krimp. Volgens het CBS had bijvoorbeeld het tweede kwartaal van 2009 een krimp van 5,3%.

1.6. Het werkprogramma is gestoeld op ongegronde aannames. Zoals de beoordeling van het werkprogramma heeft aangetoond, sluit het werkprogramma niet aan om de situatie in 2007. De huidige crisis heeft het werkprogramma nog verder verwijderd van de huidige omstandigheden. Het werkprogramma kan hiermee geen grondslag vormen voor het realiseren van het windpark.

1.7. De Staat heeft op een eensluidende zienswijze inzake het werkprogramma “Schoon & Zuinig” gereageerd met een verwijzing naar het regeerakkoord waarin de Europese doelen voor een duurzame energievoorziening leidend is. Ditzelfde regeerakkoord heeft de behoefte voor 20% CO2 reductie en 14% duurzame energie in 2020 echter afgeleidt van een economische situatie met een beoogde economische groei. Hierboven is uitgelegd dat dit regeerakkoord niet meer aansluit op de huidige crisis en economische krimp. Verwijzingen naar dit werkprogramma of het oude regeerakkoord kunnen derhalve geen basis vormen voor rechtvaardiging van dit plan.

 

2. Europese regelgeving

SDE subsidie

2.1. Het voorgenomen plan bevindt zich op twee vlakken binnen het Europese regelgeving. Het eerste gedeelte betreft de opstapeling van subsidies terwijl het tweede gedeelte zich richt tot de gronduitgifte. Op beide vlakken handelt de Staat in strijd met de Europese regelgeving. De strijdigheid met Europese regelgeving staat in de weg dat deze vergunningen en het Rijksinpassingsplan worden voort gezet.

2.2. Er zijn een drietal subsidies uitgegeven. Allereerst betroft het de Subsidieregeling duurzame Energie (SDE) voor grote windmolens. Vervolgens is deze verhoogd naar de financieringsbehoefte van het windpark. Ten slotte wordt de ruim miljard subsidiepot afgeroomd met een eenmalige innovatiesubsidie. In kader van artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is hier sprake van ongeoorloofde staatssteun.

2.3. Het is merkwaardig dat binnen een jaar na de inwerkingtreding op 27 maart 2009 de SDE wederom wordt aangepast. Op 1 maart 2010 wordt namelijk een nieuw SDE gepresenteerd die aansluit op de wensen van de initiatiefnemers van het windpark. Hierbij kan niet de indruk worden ontweken dat de financieringsbehoefte van dit windpark bepalend is geweest voor de aangepaste opzet en inhoud van de SDE. Dit is in strijd met de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming en achterstelling van consumentenbelang.

2.4. Een ander punt hierin is de Nederlandse methodiek voor de berekening en registratie van windenergie. Deze Nederlandse methodiek wijkt af van de voorgeschreven methodiek uit de desbetreffende Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (Richtlijn 2009/28/EG van 23 april 2009). De afwijking van de Richtlijn is bevestigd door Senter Novem.

2.5. Deze afwijking in de methodiek is zodanig dat het leidt tot verkeerde cijfers ten aanzien van geleverde groene stroom en vermelden hoeveelheid CO2. Aan de hand van de Nederlandse methodiek worden de presentaties van windturbines, windparken en het totaal aan windenergie gewonnen op landelijke schaal aanzienlijk overschat. Dit is een direct gevolg van een berekenmethode waarbij men alleen uitgaat van bruto opbrengst zijnde de stroom die de windturbine verlaat zonder aftrek van de (milieu)belasting. De brandstofverliezen die samenhangen met de opvang op het net worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Er wordt dus geen netto opbrengst vastgesteld. Deze brandstofverliezen zijn zodanig dat het verschil tussen een bruto- en netto opbrengst groot is. Gebruik van deze rekenmethode leidt er naartoe dat per netto kWh windstroom meer subsidie wordt gegeven dan in de subsidieregeling staat aangegeven.

2.6. Het windpark wordt gerealiseerd door staatsteun in de vorm van opstapeling van subsidies, wijziging van subsidiebeleid alsmede vormen van rekenmethodieken in afwijking van Europese richtlijnen. Zonder deze ongeoorloofde staatssteun is het windpark onrendabel en niet levensvatbaar. Het MER, inpassingsplan noch de vergunningen geven inzicht met een Life Cycle Analyse (LCA) Hierdoor is niet in te schatten of de realisering van het windpark inderdaad levensvatbaar is en wel zo milieuvriendelijk is als wordt gesteld in de diverse rapportages. Een LCA kan o.a. hierbij inzicht ingeven. Juist doordat het windpark levensvatbaar wordt gehouden voor de komende vijftien jaren door middel van exploitatiesubsidies, is een LCA voor na die periode gewenst danwel noodzakelijk. Gelet op de aanzienlijke onderhoudskosten is de levensverwachting na deze vijftien jaar zeer laag tot nihil. Zoals in een voorgaande zienswijze derhalve al is aangekaart, dient de periode na de subisideimpuls te worden onderzocht.

 

Innovatiesubsidie

2.7. Naast deze SDE subsidie is er eveneens een “eenmalige” innovatiesubsidie gegeven. Deze is niet in overeenstemming met de Kaderregeling van staatssteun ten behoeve van Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (van 21 november 2006).

2.8. Deze innovatiesubsidie wordt uitgegeven voor het innovatieve karakter van het project. Dit innovatieve karakter wordt volgens de minister gevormd door de zeer grote molens die wereldwijd nog nergens op deze schaal zijn gebouwd en omdat een deel van de molens buitendijks (near shore) komen te staan .  Dit zijn echter drogredenen voor het verstrekken van een innovatiesubsidie.

2.9. Windmolens van dergelijke omvang zijn niet in Nederland aanwezig maar buiten Nederland wel zoals in Emden. Het immense omvang van het park is weliswaar nieuw in Europa maar dit mag niet “innovatief” worden bestempeld. De omvang leidt namelijk niet tot andere inzichten of nieuwe ideeen. Mocht de omvang van de windmolen desalniettemin als innovatief worden bestempeld dan behoort deze innovatie subsidie toe aan ontwerper danwel bouwer en niet de exploitant. Exploiteren van de windmolens brengt niets innovatiefs voort.

2.10. Een tweede grondslag voor de innovatiesubsidie betreft de plaatsing van de windmolens buitendijks. Net als de eerste grondslag ontbreekt ook bij deze grondslag het innovatiekarakter. Enkele kilometers verderop staan al jaren windmolens met “de voetjes in het water” . Dit windmolenpark langs de A6 bestaat al ruim 10 jaren. Het verstreken tijdsbestek laat zien dat men na een decenia niet meer kan spreken van innovatie.

 

Aanbestedingsregelgeving

2.11. Naast deze opstapeling van subsidies heeft de Nederlandse Staat een andere vorm van staatssteun toegepast door het Europees aanbestedingsbeleid voor gebiedsontwikkeling niet toe te passen. De initiatiefnemers zijn zonder openbare selectie onderhands gekozen. Daarbij heeft de Staat als dominante grondeigenaar de beoogde openbare marktwerking in Europa genegeerd.

2.12. Om een onderscheid te maken tussen de aanbestedingsvrije gronduitgifte en aanbestedingsplichtige gebiedsontwikkeling heeft het Hof van Justitie van de EU het arrest gewezen in de zaak Helmut Müller (zaak C-451/08). Het betreft hier een vergelijkbare situatie waarbij de overheid belang heeft bij de gebiedsontwikkeling. Het Rijksinpassingsplan is bijvoorbeeld een instrument die alleen mag worden gebruikt bij gebiedsontwikkelingen van nationaal belang. Het belang van de Staat bij dit project is daarbij al direct aangetoont.

2.13. De gemeente Noordoostpolder heeft daarnaast een overeenkomst onder bezwarende titel met de initiatiefnemers gesloten zijnde een exploitatieovereenkomst met een risicoverdeling. De Nederlandse Staat heeft daarbij baat bij de ontwikkeling van het windpark gelet op haar eigen politieke programma en Europese afspraken inzake duurzame energie. Hierdoor heeft de Staat al diverse vormen van staatssteun toegepast zoals de opstapeling van subsidies.

2.14. Doordat de Staat en de gemeente Noordoostpolder in strijd met de Europese regelgeving handelt, zijn de initiatiefnemers in staat gesteld om dit park te ontwikkelingen. Wanneer de Staats en/of de gemeente Noordoostpolder zich moeten verantwoorden naar de Europese regelgeving, zal het bestaansrecht van windpark verdwijnen. Zonder de staatssteun door subsidies is het plan onrendabel. De vergunningen kunnen daarmee geen stand houden.

 

3. ADC toets

3.1. Ten tijde van het opstellen van de MER is het IJsselmeer aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Op 23 december 2009 is dit opgevolgd met een definitief aanwijzingsbesluit voor het IJsselmeer. In reactie op de vele zienswijzen tegen het MER is de “Passende beoordeling” opgesteld. Op pagina 8 wordt vermeld dat het MER niet getoetst is aan de doelstellingen uit de aanwijzing als speciale beschermingszone noch aan de kader van het aanwijzingsbesluit. Het MER is weliswaar voor het definitieve aanwijzingsbesluit doch na het ontwerp aanwijzingsbesluit opgesteld. Daarom dient de MER zeker wel rekening te houden met het aanwijzingsbesluit en de Natura 2000 status. De Passende beoordeling wekt nu namelijk de suggestie dat men geen rekening hoeft te houden met de Natura 2000 status met bijvoorbeeld het overzicht op pagina 8 waarin de afstanden tot Natura 2000 gebieden worden genoemd exclusief het IJsselmeer. Vervolgens geeft de Passende beoordeling een mooi overzicht van de ADC toets. Dit houdt in dat alleen een vergunning verleend kan worden als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.

A: Bij het ontbreken van alternatieve oplossingen

3.2. Gelet op het document Ruimtelijk Perspectief Windenergie op Land (conceptversie van februari 2010, VROM) zijn er tien alternatieve lokaties in Nederland.

D: Om dwingende redenen van groot openbaar belang

3.3. Zoals hieronder wordt omschreven, zijn er geen dwingende redenen van groot openbaar belang. Het onderliggende werkprogramma “Schoon en Zuinig” deugt namelijk niet. Op pagina 24 en verder beschreven in hoofdstuk 4, wordt gesproken van een instrumentenmix “Schoon & Zuinig. Deze mix bevat marktprikkels, normering, instrumenten gericht op innovatie, tijdelijke stimulansen en internationale klimaat- en energiediplomatie. Het onderhavige project druist in tegen dit instrumentenmix door de zware subsidies die de Staat verstrekt aan de initiatiefnemers. Deze subsidies kunnen namelijk niet meer worden geschaard onder “tijdelijke stimulansen” aangezien het project bijna volledig wordt gefinancierd met de subsidies en zonder deze niet levensvatbaar zijn. Ruim 800 miljoen wordt toegekend voor exploitatie verspreid over vijftien jaren. Na deze periode is er een subsidiestop. De windmolens zijn dan niet meer rendabel. Het is te duur om de windmolens na deze 15 jaren te ontmantelen waardoor ze zonder veel onderhoud of persoonlijke investeringen van de windboeren ons landschap blijven vervuilen. Het RIP houdt geen rekening met deze toekomst noch worden er voorwaarden aan het plan verbonden om dit tegen te gaan. Derhalve zie ik graag aanpassing van het RIP met kwaliteitsvoorwaarden zodat de windmolens ook na vijftien jaar aan dezelfde uitgangspunten voldoen als in de periode met subsidie. Deze zware subsidies nemen hiernaast ook de stimulans weg om op zoek te gaan naar innovatieve technologieen. De concurrentiekracht wordt weliswaar versterkt ten opzichte van andere landen door deze oneigenlijke staatssteun. De beoogde interne concurrentiekracht blijft echter uit. Voor dit plan krijgen de initiatiefnemers zo’n 100 miljoen euro aan innovatiesubsidie. Deze innovatie is echter niet omschreven, aangetoond of zeker gesteld. De 9x groter exploitatiesubsidie laat zien dat dit deel zwaar ondergeschikt is. Zoals eerder gezegd neemt exploitatiesubsidie daarnaast de stimulans weg voor innovatie. Volledigheidshalve wijs ik erop dat de initiatiefnemers zich nog niet hebben gehouden aan de meldingsplicht van deze twee subsidies bij de Europese Mededingingsautoriteit. Het is niet opmerkelijk dat in september 2007 de beoordeling werkprogramma Schoon en Zuinig de ambities onbereikbaar benoemd. Zoals hierboven in het beroepschrift al uitgebreid is aangegeven, kan het werkprogramma Schoon en Zuinig geen grondslag vormen voor dit plan.  Als de Staat alsnog wil vasthouden aan het werkprogramma als rechtvaardiging dat het project “het landsbelang dient”, dient men eerst het werkprogramma aan te passen naar de huidige danwel een realistische situatie.

3.4. Op pagina 10 van de beoordeling staat in kort de Conclusie en kanttekeningen. Daarbij wordt geschreven: “een hoog aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen is alleen realiseerbaar wanneer het budget van aflopende MEP verplichtingen na 2011 opnieuw binnen de SDE-regeling wordt besteed”. Door de huidige economische crisis en politieke onrust door verschuiving van de zuilen, is de verwachting dat de ingezette sanering van de SDE regeling wordt doorgezet. De subsidieregeling Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie is daarmee onvoldoende gewaarborgd om het werkprogramma realistisch te houden voorzover dit nog mogelijk was met rooskleurig maar onjuiste economische groei van 2,9%.

3.5. Hiernaast ging het werkprogramma en de beoordeling uit van windenergie in de Noordzee. Zelfs daar sprak men over mogelijke problemen gelet op de landschappelijk en maatschappelijke waarden. Indien men toentertijd weet had van dit grotesk plan, zou de beoordeling zich minder terughoudend hebben uitgedrukt. Op pagina 28 van de beoordeling spreekt men over nieuwe locatie met de voetnoot: “Rekening houdend met landschappelijke inpassing en natuurbelangen”. Dit strookt met het gedachtegoed van de vele landschappelijke architecten. Kortom, het werkprogramma Schoon & Zuinig kan geen rechtvaardigheidsgronden of dwingende redenen creëren van groot openbaar belang.

C: Door het vooraf en tijdig treffen van compenserende maatregelen om de negatieve effecten te beperken/voorkomen.

3.6. De meeste onderzoeken in de MER zijn onjuist uitgevoerd in een nauw verband en bagatalisatie van de bevindingen. Hierdoor zijn de effecten niet juist in kaart gebracht. Vooral het gebrek aan een zogenaamde nulsituatie is een zwaar gemis om de daadwerkelijke omvang van de schade vast te stellen. Als voorbeeld wordt verwezen naar het vleermuizen onderzoek die in afwijking van het voorgeschreven “protocol voor vleermuisinventarisaties, 2 april 2009” opgesteld door de Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging VZZ en NGB is uitgevoerd. Men kan door de gebrekkige MER niet inschatten wat de gevolgen zullen zijn. Compenserende maatregelen kunnen hierdoor niet worden ingeschat of worden uitgevoerd. Achteraf monitoring voldoet hier ook niet in.

3.7. Het plan voldoet dus niet aan de ADC toets.

 

 

 

 

4. Lokatie

Lokatiekeuze

4.1. Het windpark wordt gepresenteerd als een project van nationaal belang waarbij een rijksinpassingsplan noodzakelijk is. Het plan heeft daarmee landelijke schaal. Bij de lokatiekeuze heeft men echter geen afweging gemaakt op landelijke schaal. In het MER wordt onder paragraaf 2.5 de lokatieafweging nauw uitgevoerd met een scope gericht tot relevante lokaties in en rond het IJsselmeergebied.

4.2. Volgens art. 7.7 lid 1 sub b Wet milieubeheer (Wm) dient het milieueffectrapport tenminste een beschrijving te bevatten van de alternatieven voor de voorgenomen activiteit en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven. In de Aanvullende MER onder paragraaf 2.3.2. is de onderbouwing voor de lokatieafweging verder uitgeschreven. Deze aanvulling geeft aan in hoeverre de huidige lokatie geschikt volgens de Nota Ruimte en Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEVIII). De aanvulling geeft wederom geen alternatieven aan.

4.3. De aanvulling citeert de Nota Ruimte op een specifiek stuk zijnde “ Langs nieuwe strakke dijken kunnen windturbines worden geplaatst,…” Vervolgens richt de lokatieafweging zich alleen tot nieuwe strakke dijken. In de Nota Ruimte werd dit echter aangehaald als een voorbeeld met de mogelijkheid van “kunnen”. Vanaf dit moment is de lokatieafweging al een verkeerde weg ingeslagen.

4.4. Deze verkeerde weg wordt vervolgd door de verwijzing naar de verantwoordelijkheid bij de provincie . Daarbij verwijst het Algemeen Deel van het MER in paragraaf 2.3 naar het klimaat-energieakkoord tussen Rijk en provincies (2009) waarbij het vermogen van de provincie Flevoland wordt ingeschaald van de huidige 614 MW naar een beoogde1200 MW. De provincie Fryslan wordt ingeschaald van de huidige 154 MW naar een beoogde 240 MW. Verder in de tabel kan men zien dat alle provincies een opschaling krijgen van het opgestelde vermogen. De opschaling in de provincie Fryslan en Flevoland kunnen echter geen grondslag vormen voor de lokatiekeuze in de provincie Fryslan en Flevoland.

4.5. Als men het klimaat-energieakkoord tussen Rijk en provincies als uitgangspunt rekent door de lokatiekeuze per provincie dan zijn de provincie Fryslan en Flevoland niet de eerste keuze. De provincie Flevoland krijgt namelijk een opschaling van 195% en Fryslan 155%. Limburg krijgt daarentegen 2000% erbij, Gelderland 334% en Drenthe maar liefst 6000%. Het huidige plan past in kader van het klimaat-energieakkoord derhalve ook verspreid in de provincie Gelderland, Drenthe en Limburg.

4.6. Ongeacht de keuze methode voor de provincie Flevoland, verklaart dit nog niet de specifieke lokatie rondom de gemeentegrenzen van Urk. Binnen de provincie Flevoland zijn geen andere lokaties onderzocht zoals bij de gemeente Dronten of langs de A6. De lokatiekeuze is derhalve te nauw uitgevoerd met direct een valse start door zich alleen te richten tot nieuwe strakke dijken en beperkt in Flevoland.

 

Omheining

4.7. In de nota Ruimte is opgenomen dat er geen omheining mag plaatsvinden. In paragraaf 6.13 en 6.14 van de toelichting van het inpassingsplan wordt gesteld dat de onderlinge afstanden tussen de windmolens dermate groot zijn waardoor het voor het menselijk oog vrijwel onmogelijk is om meerdere turbines in een blik te vatten. In de onderstaande foto’s kunt u echter zien dat de maquettes die in opdracht van de gemeente Urk zijn gemaakt het tegendeel bewijzen.

 

4.8. Deze foto’s van de maquette laten zien hoe de omheining zal plaatsvinden. Dit druist in met de landschappelijke waarden en karakter van het Ijsselmeer zijnde open, donker en “leeg” gebied. De opmerking in de antwoordnota MER dat “doordat de onderlinge afstanden tussen de windturbines dermate groot zijn, is het voor het menselijk oog vrijwel onmogelijk om meerdere turbines in één blik te vatten” geldt derhalve alleen vanuit een zeer beperkt aantal gezichtspunten. Hierbij zijn dan bovendien (letterlijk) oogkleppen voor nodig. Vanaf een standpunt bij de vuurtoren omvat het zicht in noordelijke richting omvat maar liefst 79 turbines in één blik. Wie het hoofd vervolgens draait in zuidoostelijke richting ziet in één blik nog eens 7 turbines. Het gevoel van omheining kan hierbij niet worden ontweken. Vanuit de Noordoostpolder en vanuit de in de polder gelegen nieuwe wijken van Urk zijn de molens aan beide zijden van Urk in één blik waar te nemen. Hiernaast wordt gesteld “dat het rechtstreekse zicht op Urk vanaf het IJsselmeer en de Ketelbrug weliswaar geflankeerd wordt door windturbines, maar dat Urk wel ongehinderd zichtbaar blijft.” Het woord “ongehinderd” is hier ongepast. Urk kan dan alleen worden gezien als in één beeld mèt turbines.

4.9. De initiatiefnemers wijzen diverse malen op het gat van 1400 meter bij Urk waardoor er geen omheining dient te zijn. Indien de lijnen naast dit gat eveneens “maar” 1400 meter waren, zou deze conclusie zijn te volgen. Doordat de windmolens echter lijnen van meer dan 20 kilometer beslaan, is de 1400 meter bij Urk maar een kleine onderbreking in het groter geheel zijnde de omheining. Het zicht hierop zal vanaf alle zijde op en bij het Ijsselmeer te zien zijn. De kenmerkende weidsheid van het landschap verdwijnt geheel. Zie in dit verband de onderbouwing bij aanwijzing van Urk als Beschermd Dorpsgezicht, richtlijnen voor Belvedere gebied Noordoostpolder en aanvraag bij Unesco voor status Werelderfgoed van de Noordoostpolder. In de antwoordnota van de MER wordt niet ingegaan op het uit balans trekken van de horizontale landschapslijnen door de zeer hoge, verticale turbines. De in een lange historie gegroeide landschappelijke waarden van het voormalige eiland Urk en haar omgeving vergruizelen geheel onder de zeer hoge torens met enorme draaiende wieken.

4.10. De omvang van de windmolens zullen niet alleen voor de omheining zorgen. Doordat de windmolens per mast worden uitgerust met een verlichtingsbak rondom de mast voor de luchtvaart halverwege de mast en in de top, zal de omheining eveneens nacht te zien zijn. In de nota Ruimte worden de kernwaarden van het Ijsselmeergebied beschreven als “openheid, duisternis en ruimte”. Deze waarden zullen zeker in de kern worden getroffen door het circus aan windmolens.

4.11. In het inpassingsplan zijn zeven turbines in het IJsselmeer uit de oorspronkelijke aanvraag geschrapt, om zodoende “rekening te houden met de maatschappelijke en cultuurhistorische waarden van Urk.” Echter, de turbines die het dichtst bij Urk zijn gepland, worden niet geschrapt. De logica ontgaat ons volledig. Het aanzicht van Urk blijft geflankeerd door turbines die zeer dicht komen te staan bij de bebouwde kom en bij de nog altijd zichtbare keileembult die het oude eiland vormde.

4.12. Men stelt: “Belvedère gaat uit van ontwikkeling met behoud van bestaande historische en landschappelijke kwaliteiten. De huidige generatie windmolens passen niet in het relatief kleinschalige middengebied van de Noordoostpolder.” De turbines komen pal naast Urk, maar het relatief kleinschalige Urk wordt hier niet genoemd. Het Bevederegebied geldt ook rondom Urk. Mitigerende maatregelen om de cultuurhistorische en landschappelijke waarden te ontzien of te compenseren ontbreken in het plan.

4.13. De antwoordnota MER zegt zelf: “Bij de afweging is specifiek rekening gehouden met de kenmerkende cultuurhistorische waarden die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om aan Urk de status van beschermd dorpsgezicht toe te kennen. In de motivering van de aanwijzing is hieromtrent het volgende vermeld:

"In het beschermde gebied is de oorsprong van Urk als Zuiderzee-eiland het meest herkenbaar. De stedenbouwkundige structuur vormt in samenhang met de hoogteverschillen en de contour van het eiland (kustlijn) de ruimtelijke uitdrukking van de invloed van de Zuiderzee. De ontwikkeling van een boerendorp naar een vissersdorp is herkenbaar in de bebouwingskarakteristiek en de fijnmazige structuur. Monumentale gebouwen benadrukken de historische betekenis van het gehele dorp. De cultuurhistorische waarde van het beschermde dorpsgezicht Urk wordt ontleend aan de samenhang tussen de geologische kenmerken en de cultuurhistorische, historisch-ruimtelijke en architectuurhistorische waarden." Als ruimtelijke hoofdkarakteristieken worden specifiek genoemd: “het voormalige eiland, aangegeven door de ingepolderde kustlijn en palenscherm; hoogteverschil van negen meter door keileemheuvel, dat het stratenpatroon heeft bepaald; bebouwingsstructuur met karakteristieke deelgebieden, die historische groei van Urk weerspiegelt.” Toch worden de grondslagen voor de afweging om dit windpark toch pal naast Urk te bouwen nergens aangegeven.

 

5. Geluid

5.1. De geluidnormen voor de windturbines, gesteld in de vier milieuvergunningen, voor het windpark Urk zijn gebaseerd op de – na de vergunningverlening in werking getreden- wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van 14-10-2010, Stb. 749 (hierna te noemen: Besluit wijziging milieuregels windturbines of Besluit) en de daarop eerder uitgebrachte ministeriële Circulaire Beoordeling geluidhinder windturbines van  2 april 2010 (hierna te noemen: Circulaire).  Deze normen betekenen een verruiming ten opzichte van de daarvóór geldende normering geënt op de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna te noemen: Handreiking Industrielawaai of Handreiking) Deze zijn de Gedeputeerde Staten van Flevoland en B&W gemeente Noordoostpolder volledig voorbijgegaan. Zij halen in de overwegingen bij de vier besluiten de minister aan als volgt: “De minister geeft in de Circulaire aan dat de nieuwe geluidnormering (de meest in het  oogspringende wijziging) aansluit bij de bestaande uitvoeringspraktijk en dat omzetting beleidsneutrale gevolgen heeft. Om  die reden is aan het advies van de minister uitvoering gegeven.”

5.2. In de Nota van Toelichting (par. 5 en par. 11) bij het Besluit wijziging milieuregels windturbines (in werking getreden op 1 januari 2011) staat iets dergelijks vermeld. De minister heeft tevens in diverse commissievergaderingen en in de Tweede Kamer (bij de behandeling van dit Besluit) nogmaals met zoveel woorden gezegd dat er geen sprake is van verruiming van de geluidnorm.

5.3. Hieronder wordt nogmaals aangegeven hoe deze stelling van de minister niet klopt en dat wel degelijk sprake is van een verruiming ten opzichte van de voordien geldende normering en praktijk. Allereerst een verruiming ten opzichte van het vorige toetsingskader, namelijk de Handreiking Industrielawaai. In de tweede plaats een verruiming ten opzichte van de bestaande praktijk. In de derde plaats verruiming vanwege hantering van de dosismaat Lden en ten vierde omdat geen rekening is gehouden met het impulsgeluid van meer windturbines bij elkaar.

 

Verruiming ten opzichte van Handreiking Industrielawaai

5.4. Vóór inwerkingtreding van het Besluit wijziging milieuregels windturbines moesten vergunningplichtige windturbines, zoals het onderhavige windpark, worden getoetst aan de Handreiking Industrielawaai. Deze Handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai. De Handreiking kan in termen van de Algemene wet bestuursrecht gezien worden als een richtlijn voor het vaststellen van beleidsregels. De Handreiking gaat uit van het bestaande achtergrondgeluid(referentieniveau). Dat varieert naar de mate van (industriële) activiteit.  In de Handreiking is ook sprake van gebiedsdifferentiatie variërend van stille landelijke gebieden (grenswaarden 30, 35 en 40 dB(A) voor respectievelijk nacht, avond en dag) tot een industrieterrein (grenswaarden ≤< 55, 60 en 65 dB(A) voor respectievelijk nacht, avond en dag).

5.5. Voor de Noordoostpolder, landelijk gebied bij uitstek, zouden volgens de Handreiking de grenswaarden 30,35 en 40 dB(A) voor landelijk gebied moeten gelden; vanwege agrarische activiteiten ter plaatse zou je ten hoogste nog aan de grenswaarden 35, 40 en 45 dB(A) voor de nacht, avond en dag kunnen denken. De geluidnormering in het Besluit wijziging milieuregels windturbines – en ook derhalve die van het onderhavige windpark-  stelt één algemene geluidnorm (47 Lden) en één norm voor de nacht (41 Lnight) voor. Met andere woorden: Dit besluit kent geen gebiedsdifferentiatie . Deze normen zijn voor het onderhavige windpark een stuk ruimer dan die genoemd  in de Handreiking Industrielawaai.

5.6. Ter illustratie treft u hieronder de geluidskaarten uit het geluidsrapport van de MER voor de verschillende normen voor de binnendijkse molens aan de Westermeerdijk (maximale variant). Omdat voor geluidhinder van windturbines de nachtwaarde het meest van belang is – ’s nachts maken de windturbines het meeste lawaai- zijn de nachtnormen opgenomen. Overigens was de  41 Lnight toen nog niet voorgeschreven. De lijn in de linker kaart geeft het gebied aan waarbinnen 47Lden wordt overschreden, de rechterkaart in blauw hetzelfde gebied voor de algemene norm voor landelijk gebied met agrarische activiteiten(35 dB) en in groen voor de gemiddelde industriële norm (40 dB). Duidelijk is te zien dat het gebied waarbinnen de norm wordt overschreden voor 47Lden aanzienlijk verkleind is ten opzichte van de plattelandsnorm 35 dB. Het gebied is zelfs nog kleiner dan is berekend voor de industriële norm 40 dB.  Alleen al op grond hiervan valt het dus moeilijk vol te houden dat de omzetting van geluidsnormen alleen beleidsneutrale gevolgen heeft. De omzetting van de voorheen geldende geluidnorm uit de Handreiking Industrielawaai van 35 dB(A) (eigenlijk 30 dB(A)) naar Lden 47 heeft duidelijk gevolgen voor de luidservaring en hinder in de omgeving. Het MER geeft voor verschillende turbineopstellingen naast de contouren voor 47Lden ook die voor de normen uit de Handreiking. De Antwoordnota op de Zienswijzen meldt dit ook, maar verzuimt vervolgens deze contouren met elkaar te vergelijken en te concluderen dat Lden47 een  verruiming betekent.

 

 

 

 

5.7. Het voorgaande betekent voor het onderhavige windpark dat, indien de geluidsbelasting  aan Handreiking industrielawaai zou worden afgemeten (zoals dit overigens ook is toegepast voor het al jaren bestaande windpark in de buurt) zal in casu in een veel groter gebied sprake zijn van het overschrijden van de norm, zelfs tot in de gemeente Urk toe. Dat is onaanvaardbaar. Hierbij willen wij u er nog extra op wijzen dat in de Circulaire expliciet wordt opgemerkt dat een strikte toepassing van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening bij windturbines ‘in veel gevallen leidt tot onvergunbare situaties’ (par. 2.1).

 

Verruiming ten opzichte van de bestaande praktijk

5.8. In de praktijk zijn thans veel windmolens geplaatst in industriegebieden of langs (snel)wegen. Daarbij is een geluidnormering, die gelijk is aan de geluidnormering die voorheen in het Activiteitenbesluit was opgenomen (40dB(A) ’s nachts), denkbaar. Het wordt echter anders in geval van plaatsing van windturbines in landelijk gebied waar het achtergrondgeluid laag is.  Een voorbeeld hiervan is  o.a. het bestaande windpark in de Noordoostpolder, dat dus conform de Handreiking Industrielawaai een lagere geluidnormering als vergunningvoorschrift heeft (deels 35 dB(A) ’s nachts). Ook andere voorbeelden zijn te noemen.

5.9. De minister van VROM wijst graag op de nachtnorm van 40 dB(A) die voorheen in het Activiteitenbesluit stond, maar deze norm was dus met name van toepassing op activiteiten in stedelijke en industriële gebieden. In de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit staat dat de norm niet passend is voor het landelijk gebied en wordt aangekondigd dat een op het landelijk gebied toegesneden norm zal worden toegevoegd. Dat is helaas nog steeds niet gebeurd.

5.10. Het voorgaande geeft aan dat de bestaande praktijk niet alleen is geënt op de nachtnorm van 40 dB(A). Voor de vergunningplichtige windmolens (vanaf 15 MW) gold het regiem van de Handreiking Industrielawaai en die is ook toegepast: 30 dB(A) in landelijk gebied, 35 dB(A) in landelijk gebied met agrarische activiteiten. Het huidige Besluit wijziging milieuregels windturbines met geluidnormen van 47 Lden en 41 Lnight is derhalve een verruiming ten opzichte van de bestaande praktijk. Ervan uitgaande dat 47 Lden overeenkomt met 41 dB(A) rekt dit Besluit de norm op het platteland dus op met 6 a 11 dB(A)! Overigens geldt voor agrarische activiteiten nu nog het Besluit landbouw en daarin staat gewoon de gangbare norm voor het platteland: 35 dB(A).

 

Extra verruiming door nieuwe dosismaat Lden (en Lnight)

5.11. Verruiming van de geluidbelasting vindt ook plaats vanwege de omzetting van de dosismaat dB(A) naar Lden. Lden (en ook Lnight) is, in tegenstelling tot de voormalige normering in dB(A), een jaargemiddelde norm, die in feite niet voor individuele inrichtingen en zeker ook niet voor windmolens is bedoeld. Daarop komen wij straks nog terug. Hier is van belang te constateren dat windturbines geen stationaire bron zijn waarvoor een Lden-norm kan worden ingezet. Lden is namelijk een samengestelde maat waarin aparte waarden voor de dag, nacht en avond zijn opgenomen en waarbij een goede schatting van het verband alleen mogelijk is als de hoeveelheid geluid niet erg fluctueert.

5.12. Bij windturbines is dat juist wel het geval, dit, naast het pulserende karakter van het geluid, vooral  vanwege de lange stilstandperiodes.  Bij de berekening van Lden en Lnight tellen die stilstandperiodes namelijk mee, d.w.z. dat bij een stilstand van 30% van een windturbine in 70% van de tijd de gemiddelde geluidbelasting hoger mag zijn dan 47 Lden om uiteindelijke op een jaargemiddelde van 47 Lden uit te komen. Een voorbeeld: Uit de KNMI gegevens blijkt dat windturbines in Nederland zeker voor de helft  van de tijd stilstaan, omdat het in die tijd te hard waait of juist niet hard genoeg. Het gevolg is dat in dit geval 41Lnight een gemiddelde belasting van 45 dB betekent, en dat 47Lden overdag regelmatig een belasting van 55 dB toestaat indien er ’s avonds of ’s nachts geen of weinig productie is.

 

Verruiming vanwege impulsgeluid

5.13. Verruiming van de norm is er ook omdat geen rekening is gehouden met het impulsgeluid van meer windtubines bij elkaar. Ook daar gaat de provincie Flevoland, dan wel de gemeente Noord-Oostpolder niet op in.Wat het impulskarakter van turbines betreft wijzen wij  op het proefschrift van Van den Berg. Daaruit blijkt dat geluid dat afkomstig is van meer windturbines een impulsachtig karakter bezit. Dit is beschreven in een artikel in het tijdschrift Geluid . Het impulsgeluid wordt veroorzaakt door het draaien van meer windturbines tegelijkertijd. Zie ook de volgende passage afkomstig van de website van de R.U. Groningen:

“Staan er meerdere windturbines in een gebied, dan komt het regelmatig voor dat twee windturbines even synchroon draaien: de rotorbladen komen tegelijkertijd langs de mast. Op dat moment is een kortstondige verdubbeling van het ‘zoef’geluid te horen: een toename van 3 dB. Draaien er 3 turbines synchroon, dan ontstaat een verdrievoudiging van het geluid: een toename van 5 dB. Dit is geconstateerd bij de metingen bij windpark Rhede. Het gevolg is een ritmisch stampend geluid: dit fenomeen noemen we impulsgeluid. Impulsgeluid is irritanter dan ‘gewoon’ geluid.”

 

5.14. Op grond van de Handreiking Industrielawaai  moet bij impulsgeluid een ‘strafkorting’ van 5 dB(A) worden toegepast op de aanvaardbare geluidbelasting. Bij de vergunningverlening wordt dan de maximale grenswaarde met dit aantal decibellen verlaagd. Het Besluit wijziging milieuregels windturbines voorziet niet in een dergelijke verlaging, kennelijk omdat men ervan uitgaat dat windturbines geen impulsgeluid veroorzaken. Die aanname klopt dus niet als het om meer windturbines bij elkaar gaat. Voor de besluitvorming  in het kader van de vergunningverlening van het onderhavige windpark betekent dit dat door middel van  maatwerkvoorschriften ex artikel 3.14a, derde  lid, van het Besluit wijziging milieuregels windturbines strengere geluidnormen hadden moeten worden gesteld om dit impulseffect teniet te doen. Genoemd artikel maakt het mogelijk om maatwerkvoorschriften vast te stellen ‘in verband met bijzondere lokale omstandigheden’. Het alternatief is dat men het park zodanig situeert dat een grotere afstand wordt aangehouden ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen.

5.15. De toelichting op artikel 3.14a, derde lid, zwijgt over de gevallen waarin voor het stellen van zulke maatwerkvoorschriften aanleiding is. Dit artikellid is echter vergelijkbaar met artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit dat eveneens de mogelijkheid biedt van afwijkende geluidsvoorschriften. In de betreffende Nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit is hierover onder andere het volgende opgemerkt :

“In beginsel zal het omgevingsgeluid bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de standaard geluidsnorm. De volgende invulling kan dan bijvoorbeeld aan de orde zijn. Indien het omgevingsgeluid zodanig laag is, dat de in dit voorschrift gestelde standaard geluidsnorm zal leiden tot hinder voor de omgeving, kan een lagere geluidgrenswaarde aan het bedrijf worden opgelegd. Dit kan zich voordoen in situaties waarbij bedrijven gevestigd zijn in een rustige omgeving zoals bijvoorbeeld een stille woonwijk of landelijk gebied.”

 

5.16. In de Handreiking Industrielawaai  wordt om die reden geadviseerd om bij de geluidnormering in vergunningen voor inrichtingen in landelijk gebied een grenswaarde van 35 dB(A) (of lager) voor de nachtperiode te hanteren.

 

Slot verruiming geluidnormering

5.17. De in het Besluit wijziging milieuregels windturbines vervatte geluidnormen dienen hier gezien het voorgaande buiten toepassing te worden gelaten. Immers, door te voorzien in een aanmerkelijke verruiming van de geluidsnormen is genoemd Besluit in strijd met art. 21, lid 6, van de Wet milieubeheer tot stand gekomen. In dit artikellid is voorgeschreven dat de regering bij het vaststellen van een AMvB, zoals onderhavig Besluit, rekening houdt met het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP). In het NMP heeft de regering geconstateerd dat de nog altijd toenemende geluidsoverlast ‘zorgelijk’ is. De regering heeft er daarom voor gekozen  om door middel van een gebiedsgericht geluidbeleid “door in elk gebied de akoestische kwaliteit te waarborgen die past bij de functie van het gebied. Akoestische kwaliteit betekent dat de gebiedseigen geluiden te horen zijn en niet overstemd worden door niet-gebiedseigen geluid. Ook moet het geluidniveau passen bij het gebied”. Verderop in het NMP is hieraan toegevoegd dat voor wat betreft de Ecologische Hoofdstructuur (het onderhavige windpark ligt grotendeels in de EHS) de ambitie erop is gericht dat de akoestische situatie in 2010 niet is verslechterd ten opzichte van 2000 (par. 11.2). Nergens in de toelichting op de het Besluit wijziging milieuregels windturbines is gemotiveerd waarom in afwijking van de beleidsdoelen in het NMP toch is gekozen voor een verruiming van de geluidsnormen en daarmee voor een verslechtering van de akoestische kwaliteit. Het Besluit dient daarom buiten toepassing te worden gelaten.

5.18. Daarnaast moet het Besluit wijziging milieuregels windturbines op het punt van de geluidsnormen buiten toepassing worden gelaten, omdat dit in strijd is met art. 8.40, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer. In art. 8.40, tweede lid , Wet milieubeheer is bepaald dat bij het vaststellen van Algemene maatregelen van bestuur de bestaande toestand van het milieu wordt betrokken voor zover inrichtingen daarvoor gevolgen kunnen hebben. Door niet te onderkennen dat de geluidsnormen in het genoemde Besluit leiden tot een aanzienlijke verslechtering van de akoestische kwaliteit vergeleken met de bestaande situatie, juist ook in gebieden waar die akoestische kwaliteit thans nog relatief goed is – zoals ook in het onderhavige gebied thans nog het geval is – heeft de regering verzuimd om de bestaande toestand van het milieu bij haar besluitvorming over het  Besluit wijziging milieuregels windturbines te betrekken.

5.19. In art. 8.40, derde lid, Wet milieubeheer is bepaald dat een Algemene maatregel van bestuur moet voldoen aan artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in verbinding met artikel  2.14, eerste lid, onder c, 1ste  en artikel 1.1, eerste lid (oud:art. 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer). Hierin is bepaald dat in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu het bevoegd gezag bij de beslissing (in casu het Besluit wijziging milieuregels windturbines) in acht neemt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.  De wettelijke eis dat milieugevolgen waar mogelijk worden voorkomen en voor het overige worden geminimaliseerd brengt mee dat de verruiming van de geluidnormen waarin het Besluit wijziging milieuregels windturbines voorziet, niet toelaatbaar is. Een dergelijke verruiming is immers niet in het belang van de bescherming van het milieu en wordt ook niet gerechtvaardigd door de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

 

Doel van besluit wijziging milieuregels windturbines

5.20. Naar onze mening moet het Besluit wijziging milieuregels windturbines op het punt van de geluidsnormen ook vanwege een andere grond buiten toepassing worden gelaten. De regering heeft bij de geluidnormering in dit Besluit namelijk niet als primair doel de bescherming van het milieu voor ogen, hetgeen de Wet milieubeheer voorschrijft, maar het meer toelaten van windturbines op land in ook kwetsbare gebieden, waartoe de geluidnorm moet worden verruimd.

5.21. Wij verwijzen hiertoe naar de onder 1 genoemde Circulaire, waarin de minster expliciet opmerkt dat een strikte toepassing van de Handreiking Industrielawaai bij windturbines “in veel gevallen leidt tot onvergunbare situaties” (par. 2.1).  In de Nota van Toelichting bij het Besluit wijziging milieuregels windturbines wordt nog het volgende vermeld: “Windenergie vormt een belangrijke pijler voor de invulling van de ambitie van het kabinet om te bereiken dat Nederland in 2020 één van de meest efficiënte en schone energievoorzieningen van Europa zal hebben” (par.2). En: “Met het oog op bekorting van de tijdsduur die gemoeid is met het daadwerkelijk realiseren van windturbineprojecten is het wenselijk om zover mogelijk alle windturbines onder het beoordelingsregime van het Activiteitenbesluit te brengen” (par.2).  Met dit doel voor ogen is ook het onderhavige windpark mogelijk geworden voor wat betreft geluid. Bovenstaande plaatjes in 5 geven al aan dat onder het vroegere geluidregiem van de Handreiking Industrielawaai dit windpark niet mogelijk was geweest. Hier was dus niet de bescherming van het milieu, in casu terugdringen van geluidhinder, in het geding, maar het zo soepel mogelijk  maken van het plaatsen van windmolens op land.

 

Lden geen goede maatstaf voor windturbinegeluid

5.22. In de Nota van Toelichting van het Besluit wijziging milieuregels windturbines staat in par. 2 het volgende aangegeven:

 

“Tegelijkertijd is het wenselijk om de geluidnormstelling aan te passen aan de Europese dosismaat Lden die beter met ervaren hinder correleert dan de tot nu toe in het Activiteitenbesluit gebruikte dosismaat”

 

Hier worden echter twee zaken door elkaar gehaald, te weten  de Lden als dosismaat voor het in kaart brengen van structurele en continue geluidbelasting en de Lden als dosismaat voor individuele, fluctuerende bronnen, zoals windmolens. Voor dit laatste is de Lden ongeschikt.

5.23. De dosismaat Lden is in Richtlijn 2002/49/EG (richtlijn omgevingslawaai)  geïntroduceerd als hulpmiddel om op Europese schaal de structurele en continue geluidbelasting en -hinder in kaart te kunnen brengen met het oog op de terugdringing van die geluidbelasting op termijn.  Lden (en ook Lnight) is, in tegenstelling tot de voormalige normering in dB(A), een jaargemiddelde norm. De dosismaat wordt voorgeschreven bij het maken van strategische geluidsbelastingskaarten (art. 7 van de richtlijn) en actieplannen (art. 8 van de richtlijn), die de lidstaten moeten maken voor in de richtlijn aangewezen gebieden. Het gaat dan steeds om de structurele en continue geluidsbelasting ten gevolge van alle relevante bronnen. Daar is de Lden, ook als vergelijking, uitstekend voor geschikt. Dat is echter heel iets anders dan Lden voorschrijven in een vergunning of een algemene regel voor een individuele bron, zoals een windturbine. Lden, als jaargemiddelde norm, is in de Richtlijn omgevingslawaai  niet ontwikkeld, niet bedoeld, en evenmin geschikt voor de bewaking van fluctuerende, momentane geluidbronnen.

5.24. Daar komt bij dat de Lden alleen voor windmolens (en niet voor andere industriële bronnen, voor zover dat dus al mogelijk is) is geïntroduceerd. Dat levert in de vier milieuvergunningen voor het windpark al problemen op met de diverse transformatorstations, die de bekende  geluidvoorschriften volgens de dB(A) dosismaat hebben. Hoe is daarmee bijvoorbeeld cumulatie en interferentie te meten? De hierboven vermelde passage in  de Nota van Toelichting wekt de suggestie dat Lden nodig is om die niveaus beter te kunnen voorspellen. Echter, de reden waarom de “oude methodiek"  tekortschiet zijn de achterhaalde natuurkundige inzichten waarvan ze uitgaat. Dit heeft echter niets te maken met de eenheid waarin voor de gevel van een woning bijvoorbeeld de geluidsimmissie (in dB(A)) wordt uitgedrukt. Dat de Lden dosismaat voor windturbines ongeschikt is, blijkt ook uit de handhaafbaarheid van Lden-voorschriften. Het voorgaande is tevens een grond om  het Besluit wijziging milieuregels windturbines voor wat betreft de geluidvoorschriften buiten toepassing te verklaren ten aanzien van de onderhavige milieuvergunningen voor het windpark.

 

Ontoelaatbare toename ernstige hinder

5.25. Waar aanscherping eerder in de rede zou liggen, wordt de geluidnorm voor windturbines door middel van het Besluit wijziging milieuregels windturbines verruimd. Dit heeft tot gevolg dat de ‘ernstige hinder’ die omwonenden van windturbines ondervinden, aanzienlijk toeneemt. Volgens de minister van VROM zal de 47 Lden-norm tot 9% ernstige gehinderden binnenshuis leiden .  Met het oog op dit percentage vindt de minister dat deze norm voldoende bescherming biedt. Daarbij baseert zij zich op het TNO-rapport (Hinder door geluid van windturbines, rapport nr. 2008-D-R1051/b). In dit rapport wordt echter nadrukkelijk geadviseerd om in het beleid met betrekking tot windturbines rekening te houden met verwachte hinderpercentages zowel binnenshuis als buitenshuis. Volgens hetzelfde rapport veroorzaakt de norm (47 Lden) maar liefst 20% ernstig gehinderden buitenshuis.  Deze percentages zullen in een omgeving met een lager achtergrondgeluidsniveau nog (veel) hoger zijn, terwijl tegelijk hinder buitenshuis juist op het platteland waar men veelal over een tuin beschikt of op het land werkt, veel sterker zal worden ervaren. Dit is een ernstige aantasting van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse en is binnen het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ontoelaatbaar. Het rijksbeleid is erop gericht geen toename van ernstige hinder toe te staan door nieuwe activiteiten.  Dit Besluit is hiermee in strijd en dient ook op deze grond buiten toepassing te worden gelaten.

5.26. In de uitspraak van 20 mei 2010 (Oluic tegen Kroatië, nr. 61260/08) heeft het Hof vastgesteld dat het excessieve geluidsoverlast een schending is van artikel 8 EVRM. Door de 9% ernstige hinder twee uren per dag met de rest van de dag “normale” hinder, is er al sprake van desastreuze gevolgen op het genot van de eigen woning en op een ongestoord familie- en gezinsleven. Het Hof heeft bij deze toetsing de richtlijnen van de Wereld Gezondheid-sorganisatie (WH) gehanteerd. Deze schrijven een gevelbelasting met een piekmeting van overdag 55 dB(A) toe en nachts 45 dB(A). Met deze Lden norm spreekt men echter niet van piekbelasting maar van jaarlijkse gemiddelden. Dit verklaart de 9% ernstige hinder.

5.27. Ter voorkoming van deze ontoelaatbare toename van de geluidhinder had  o.i. in de vier milieuvergunningen nadrukkelijk met het achtergrondgeluidniveau rekening moeten worden gehouden. Nu dat niet is gebeurd is dat een gebrek in de besluitvorming (strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht) en het motiveringsbeginsel  (artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht), zeker nu in de zienswijzen hier wel op is gewezen.

 

Handhaafbaarheid Lden geluidvoorschriften

5.28. In de Nota van Toelichting bij het Besluit wijziging milieuregels windturbines staat  in par. 12.2 het volgende vermeld:

“Omdat alleen een Lden-criterium wordt vastgesteld, is het handhaven middels directe immissiemetingen vrijwel uitgesloten. Het Reken- en meetvoorschrift bevat dan ook geen immissie-meetvoorschrift. Wel is voorzien in een emissie-meetvoorschrift. Daarmee kunnen de opgaven van het geluidvermogen van de fabrikant relatief eenvoudig gecontroleerd worden. De door de fabrikant opgegeven emissiekarakteristieken van de windturbine vormen het uitgangspunt bij het akoestisch onderzoek. Op basis van het jaargemiddelde geluidvermogen wordt het immissieniveau bij normaal gebruik vastgesteld, hetgeen aan de normstelling wordt getoetst.Een eventuele handhavingsactie, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten, richt zich dan ook op controle van het geluidvermogen. Dit kan gecontroleerd worden middels een emissiemeting. Met behulp van de gemeten emissies van de windturbine kan het jaargemiddelde geluidvermogen worden berekend. Indien hieruit blijkt dat de windturbine niet aan de opgave uit het akoestisch rapport voldoet, dient in principe handhavend te worden opgetreden.Bij gerede twijfel aan de juistheid van de karakteristieken van de windturbine of bij persistente klachten kan bovenbedoelde emissie-meting worden uitgevoerd.”

 

5.29. Controle, bewaking en handhaving van de Lden-norm door middel van directe geluidimmissiemetingen is dus uitgesloten. Dit komt omdat de Lden een gewogen gemiddelde is over het etmaal en er nooit een moment is waarvoor een concrete immissienorm geldt waaraan getoetst kan worden bij handhaving. Dit wordt nog versterkt doordat de controle op Lden een gemiddelde over een heel jaar hanteert. Zeer hoog geluidniveau kan hier worden verrekend met laag tot geen geluidniveau. Windstil weer (geen geluidniveau) kan aan de andere kant door het middelen per jaar heel hoog geluid toestaan, met alle overlast van dien. Een gemeten geluidsimmissie (bijvoorbeeld 60 dB(A) aan de gevel van een woning), hoe hoog ook, kan dan ook nooit (meer) tot de conclusie leiden dat niet aan de norm wordt voldaan. Bij de handhaving zal daardoor iedere relatie met een door bewoners ervaren, of zelfs meetbare geluidsbelasting ontbreken, hetgeen tot grote rechtsonzekerheid zal leiden. Op klachten van omwonenden kan hierdoor niet adequaat worden gereageerd. Een immissienorm in dB(A) voor de gevel van woningen en geluidgevoelige bestemmingen is dan ook onmisbaar voor een adequate handhaving van geluidvoorschriften.

5.30. Ook de fraudegevoeligheid van de Lden is groot, omdat controle alleen maar mogelijke is op basis van gegevens van de producent en gegevens van de eigenaar van de windturbines. Dit betekent dat handhaving in feite een wassen neus is, waardoor ook hier de rechtspositie van de burger/omwonende direct in het geding komt en wordt geschaad.

5.31. In de Nota van Toelichting is aangegeven, dat voor controle in een emissie-meetvoorschrift is voorzien. Hierdoor kan het geluidvermogen van een windturbine worden gemeten. Daarvoor is wel nodig dat alle andere windmolens in de omgeving worden stilgezet. Dit zal niet gauw gebeuren. Dus zo eenvoudig is zo’n controle niet. En dan nog kan alleen uit die emissiemetingen het jaargemiddelde geluidvermogen worden berekend. En zoals gezegd wordt dan zeer hoog geluidniveau verrekend met laag tot geen geluidniveau.

5.32. In vergelijking met de Lden is de dosismaat dB(A) die tot voor kort werd gebruikt uitermate eenvoudig. Voor de dag-, avond- en nachtperiode wordt duidelijk voorgeschreven wat de maximale immissie mag zijn. De ervaringen, bijvoorbeeld in Zijpe in Noord-Holland, Sluis in Zeeuws Vlaanderen en de Noordoostpolder, zijn wat betreft openheid en welwillendheid van de eigenaren van windmolenparken niet erg positief. In de Noordoostpolder blijkt dat de opeenvolgende eigenaren van het aldaar reeds bestaande windmolenpark zich reeds tot aan de Raad van State hebben bewogen me verzoeken om iets te doen aan de geluidsoverlast.(Uit immissiemetingen, die aldaar vereist waren, bleek dat voor dat deel van het windpark dat een nachtnorm had van 35 dB(A) deze norm met 7 dB(A) werd overschreden).  Ook in Zijpe verzet de eigenaar zich consequent tegen alle handhavingsactiviteiten van de gemeente; uw Afdeling heeft zich al herhaalde malen hierover moeten uitspreken. Die ervaringen maken duidelijk dat het voor een adequate bescherming van bewoners van eminent belang is dat er heldere en goed toetsbare normen zijn waaraan moet worden voldaan.

5.33. De conclusie is dan ook dat adequate controle en handhaving van de nieuwe geluidnormen (Lden en Lnight) niet goed mogelijk is, weshalve de geluidsnormen in strijd zijn met de rechtszekerheid. De norm is dan in feite een papieren norm, waardoor de omwonenden in de praktijk vogelvrij zijn. Bovendien is dit in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer (zie artikel 18.2, thans artikel 5.2 Wabo) dat nu juist een zorgplicht op het bevoegd gezag legt om de voorschriften die voor de drijver van een inrichting gelden te handhaven. Aan die zorgplicht kan dan immers nauwelijks gestalte worden gegeven.  Dit is een grond voor vernietiging van de vier milieuvergunningen voor het windpark.

 

 

 

 

Geluid m.b.t. milieuvergunning Westermeerdijk buitendijks en Noordermeerdijk buitendijks

5.34. Ten aanzien van de milieuvergunning Westermeerdijk buitendijks en Noordermeerdijk buitendijks, afgegeven door de provincie Flevoland teken ik beroep aan ten aanzien van het volgende. In de vergunning staat in de overwegingen over geluid (par. 4.5.5, pag. 21) vermeld:

“Aan  de vergunning zijn voorschriften verbonden om geluidhinder als gevolg van het inwerking hebben van  de windturbines te voorkomen.  Deze voorschriften zijn gebaseerd op  de voorgenomen wijziging van Barim en Rarim. De hoogste bijdrage van  dit park aan de Lden en Lnight waarden wordt in de voorschriften als  geluidnorm opgenomen.  Hiermee wordt  geborgd dat rekening  houdend met cumulatie,  aan de gestelde normstelling uit het gewijzigde Barim wordt voldaan.  Onder het beoordelingsregime van het Barim  zal dit voorschrift, ingevolge het algemene overgangsrecht, nog drie jaar  als maatwerkvoorschrift gaan gelden”

 

Het gaat hier vooral om de laatste zinsnede. Kennelijk moeten wij hieruit opmaken dat na die drie jaar deze lagere geluidsgrenswaarden, gesteld vanwege cumulatie van geluid, vervallen. Daarmee gelden er vanaf dat moment geen grenswaarden meer waarmee kan worden voorkómen dat de cumulatieve geluidsbelasting hoger wordt dan beoogd.

5.35. Wij zijn het oneens met de zienswijze van de provincie Flevoland. Het overgangsrecht van het Activiteitenbesluit, waarin het Besluit wijziging milieuregels windturbines is opgenomen, bevat algemeen overgangsrecht waarbij het gaat om vóór de toepassing van dat Besluit in werking zijnde en onherroepelijke vergunningen (zie bijv. artikel 6.1, eerste lid). Echter de onderhavige vergunning  is niet in werking en niet onherroepelijk. Deze lagere geluidgrenswaarden, opgenomen in voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 van de vergunning, moeten o.i dan ook als maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.14a, tweede lid, van het Besluit wijziging milieuregels windturbines worden beschouwd. Hierdoor blijven zij hun geldigheid behouden. Of dit mogelijk was ten tijde van de vergunningverlening op 30 november, toen het Besluit wijziging milieuregels windturbines nog niet in werking was, is niet duidelijk. In ieder geval kan het niet zo zijn, dat als gevolg daarvan een dergelijk voorschrift na drie jaar vervalt, nota bene in de tijd dat het park nog in aanbouw is.

 

Geluid m.b.t. het inpassingsplan

5.36. In het inpassingsplan wordt er zonder meer van uitgegaan dat een goed woon- en leefklimaat in de omgeving is gewaarborgd, omdat de windturbines kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels. Ook als dat inderdaad zo zou zijn, betekent dit echter niet dat dus sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zie bijvoorbeeld een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak (11 november 2009, zaaknr. 200901314/1/R3, ABkort 2009, 496), waarin de Afdeling een besluit tot goedkeuring van een bestemmingsplan vernietigde op grond van de volgende overweging:

“Uit de omstandigheid dat wordt voldaan aan de volgens de milieuvergunning aan te houden afstanden volgt niet zonder meer dat een goed woon- en leefklimaat in de omgeving is gewaarborgd”.

 

Hiervóór is omstandig betoogd dat de gehanteerde geluidnormen (47 Lden en 41 Lnight) in sterke mate afbreuk doen aan een goed woon- en leefklimaat. Het plan is daardoor in strijd met de centrale norm uit de Wet ruimtelijke ordening, namelijk het belang van een goede ruimtelijke ordening.

 

 

Een of meer inrichtingen in de zin van Wet Milieubeheer

5.37. In dat kader rijst de vraag waarom bij dit windpark sprake is van vier inrichtingen in het kader van de Wet milieubeheer en niet van één inrichting. Bij één inrichting behoeft geen rekening te worden gehouden met onderlinge cumulatie van geluid, omdat er dan één geluidnorm geldt.

5.38. Nu er steeds over het windpark (in enkelvoud)wordt gesproken, er één MER en één inpassingsplan is opgesteld, ook de vergunning ex Natuurbeschermingswet voor het geheel (sprake is hier van “project”) is afgegeven en dat allemaal door de Koepel windenergie Noordoostpolder is geinitieerd is het erg merkwaardig dat de windturbines voor de milieuvergunning zijn opgeknipt in vieren. Het begrip “inrichting” heeft zijn eigen afwegingskader. Als één inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

5.39. Op de website van de Koepel Windenergie Noordoostpolder (www.windkoepelnop.nl ) staat dat de Koepel  een vereniging is van initiatiefnemers, die gezamenlijk het Windpark Noordoostpolder langs de dijken aan de westkant van de Noordoostpolder realiseren. De Koepel behartigt de gemeenschappelijke belangen van de initiatiefnemers, zoals de contacten met betrokken overheden en ook de communicatie richting publiek. Voor de projecten gezamenlijk is een milieu-effectrapportage, (MER) opgesteld in opdracht van de Koepel Windenergie Noordoostpolder.  Via de Koepel Windenergie NOP zijn er derhalve functionele en organisatorische bindingen. De windturbines zijn in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen. Alle aanleiding om het gehele windpark in het kader van de Wet milieubeheer (thans de Wabo) ook als één inrichting aan te merken. Daarbij doet niet af dat de verschillende initiatiefnemers aparte BV’s zijn. In dat geval hadden deze ook een afzonderlijk MER moeten maken en een afzonderlijke Natuurbeschermingswetvergunning moeten aanvragen. Gelet op het voorgaande is hier o.i. sprake van één inrichting in het kader van de Wet milieubeheer en had voor het windpark in zijn geheel één milieuvergunning moeten worden aangevraagd.

aangegeven.

 

6. Dijkstabiliteit

Stabiliteit en faalkansen van de dijken; kwel

6.1. De aanleg en de exploitatie van de windparken hebben gevolgen voor de stabiliteit van de waterkeringen langs het IJsselmeer, die de bewoners van het achterliggende gebied en van Urk moeten beschermen, en daarmee voor de grondwaterstromen (kwelvorming). Bovendien kan de waterkerende functie van de dijken als gevolg van een incident aan de in bedrijf zijnde turbines worden aangetast.

6.2. In par. 6.7 van het plan (“Water”), wordt erop gewezen dat tijdens de aanlegfase rekening moet worden gehouden met het waterbezwaar en opbarstgevaar, beide afhankelijk van de dikte van de deklaag en de kwelintensiteit. Onder het kopje “Grondwater” wordt ervan uitgegaan dat voorkomen wordt dat er langs de palen en de fundering openingen ontstaan waarlangs het kwelwater omhoog kan stromen. Bij de aanleg dient erop te worden toegezien dat zowel de palen als de fundering goed aansluiten op de afsluitende klei- en veenlagen van het bovenste pakket. Zodoende zullen de windturbines volgens de plantoelichting nagenoeg geen effect hebben op de grondwaterstroming in de gebruikersfase. Door toepassing van grondverdringende gladde geprefabriceerde betonpalen zal mogelijk kwel ook van tijdelijke aard zijn.

6.3. Onder het kopje “Dijkdoorkruising” wordt verwezen naar een advies van Fugro over de effecten van de dijkdoorkruising met de kabel op de stabiliteit van de dijk (bijlage F2 bij het MER). De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn dat bij de ontgraving voor de kabel, bij zorgvuldige uitvoering, geen onacceptabel tijdelijke verlaging van de veiligheid van de waterkering optreedt, dat in de exploitatiefase de aanwezigheid van kabels in de dijk niet leidt tot een verlaagde veiligheid als gevolg van piping, en dat er een kleine kans is op een extra kwelstroom gedurende een situatie van Matig Hoog Water, die niet leidt tot een verlaging van de veiligheid van de waterkering.

6.4. In par. 6.9 van het plan wordt verwezen naar de trillingsanalysie in het MER (bijlage F), waarin op basis van de beschikbare gegevens wordt geconcludeerd dat de installatie van de fundering nauwelijks invloed heeft op de dijk. Ook wordt gesteld dat de risico’s voor de stabiliteit van de waerkering nihil zouden zijn, en dat in de gebruiksfase geen trillingen zullen optreden die de stabiliteit van de dijk beïnvloeden.

6.5. In opdracht van verschillende appelanten heeft Deltares te Delft onderzoek gedaan naar de wijze waarop de effecten van de aanleg en exploitatie van het windpark (inclusief de dijkdoorkruising op meerdere plaatsen met electriciteitskabels) op de stabiliteit van de dijken. Deltares is een onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur voor deltatechnologie.

6.6. Het rapport “Resultaten snelle toets stukken MER windpark Noordoostpolder” d.d. 16 februari 2011 van Deltares is als bijlage 4 aan dit beroepschrift gehecht. De bevindingen van Deltares zijn (onder meer):

 

Constructieonderdelen in ondergrond

Omdat zowel voor de bestaande als de nieuwe windturbines de lange termijneffecten ten onrechte niet zijn onderzocht is niet duidelijk wat de risico’s zijn van de voor altijd in de ondergrond achterblijvende constructieonderdelen, zoals funderingspalen;

Trillingen

Over de doorwerking van trillingen in de ondergrond van in werking zijnde windturbines is nog weinig bekend. Daarom kan in dit geval ook niet zonder meer worden gesteld dat de trillingen in de bodem de dijk niet bereiken of de stabiliteit van de dijk niet kunnen beïnvloeden. Zonder een adequate onderbouwing, die nu ontbreekt, kan er niet op voorhand van worden uitgegaan dat de windturbines in de gebruiksfase geen invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.

Incidenten

De vertaalslag van de faalkansen van incidenten aan de windturbines naar de additionele faalkans van de waterkering als gevolg van een incident aan de windturbines is niet gemaakt. Daarbij moet ook worden meegenomen dat in stormcondities, juist wanneer de integriteit van de dijk gewaarborgd moet zijn, de kans op een incident bij een windturbine extra groot is.

Een belangrijke omissie is dat er in feite geen risicoanalyse is uitgevoerd; in de tekst staan alleen geschatte faalkansen van de windturbines zelf met als referentie (DEWI-OCC). De genoemde faalkansen zijn niet realistisch. Bijvoorbeeld de kans op instorten van de toren zal veel groter zijn dan 10-6 (eens per 1 miljoen jaar) en zeker binnen 10.000 jaar). De leeftijd van de huidige windmolens en faalrealisaties in die periode is veel te kort om te extrapoleren naar kansen die kleiner zijn dan 1 op 100 jaar.

Er is niet aangetoond dat de kans op falen van de waterkering door een incident aan de windturbines voldoet aan de nog nader te bepalen taakstellende eis voor niet-waterkerende objecten. Daarmee is er sprake van een onbekend risico.

Kabelkruisingen

Onduidelijk is waarom als uitgangspunt is genomen dat de kabel nooit parallel aan de dijk mag worden gelegd. Uit oogpunt van zo weinig mogelijk risico voor de waterkeringen verdient het immers altijd de voorkeur om uit te gaan van een parallel kabeltracé met een zo klein mogelijk aantal dijkdoorkruisingen. Bij toepassing van zoveel mogelijk parallelle leidingen kan dan worden volstaan met één of twee centrale dijkdoorkruisingen. Indien de kabel bovendien ook nog buiten de veiligheidszone in plaats van daarbinnen wordt gelegd is er ook geen sprake meer van additioneel risico voor de waterkering. De oplossing van zoveel mogelijk parallelle leidingen buiten de veiligheidszone en een minimum aan dijkkruisingen is ten onrechte niet onderzocht.

In MER bijlage F2 staat dat aan het eind van de levensduur van de windturbines de kabels worden verwijderd maar dat de mantelbuizen in het dijklichaam zullen achterblijven. De lange termijn effecten daarvan op de waterkerende functie, waarbij rekening wordt gehouden met 1,5 meter peilstijging van het IJsselmeer, zijn ten onrechte niet onderzocht. Dit betekent dat er geen inzicht is gegeven in het kwel en pipingrisico op de langere termijn als gevolg van in en onder de dijk door geprojecteerde mantelbuizen. Dergelijke risico’s kunnen bij de huidige kennis niet worden uitgesloten en zouden daarom alsnog moeten worden onderzocht.

De grondwaterkwaliteit is van wezenlijk belang voor de interactie tussen de grond en de boorvloeistof. Deze essentiële informatie, die nodig is om te controleren of de gegevens op de juiste wijze zijn gebruikt in de adviezen, ontbreekt. Ter illustratie: in het rapport staat een tabel met grondsoorten (met daarin onder andere veen) terwijl er in het dwarsprofiel geen veen voorkomt. Dit levert een onbekend risico op voor het effect van de aanleg van de HDD-boringen.

Omdat het intreepunt van de kabelkruisingen niet buiten de veiligheidszone ligt zijn aanvullende analyses en specifieke gegevens nodig. Deze analyses en gegevens ontbreken en zijn niet onderzocht.  Het gaat daarbij om de volgende aspecten:

Er is geen HDD berekening gemaakt (dit betreft muddrukken i.v.m. blow outs, trekkrachten i.v.m. haalbaarheid, sterkte van de leiding etc.). Dat is een ernstige tekortkoming.

Er is geen berekening gemaakt van het effect van het boren op de waterkering (dit betreft het effect van plastische grond rondom het boorgat op de stabiliteit van het buitentalud).

Er is geen piping analyse gedaan voor de zogenoemde “Medemblik situatie”.

Er is geen alternatief van het gebruikelijke HDD-ontwerp beschouwd, namelijk met het intree- en uittreepunt buiten de veiligheidszone (conform NEN 3651). De vraag wat de risico’s van het intree- en uittreepunt binnen de veiligheidszone zijn, is niet beantwoord.

Er wordt geen toelichting gegeven op de locatie van het intree- en uitreepunt. Bij de huidige locatie zal er veel boorvloeistof in het IJsselmeer verdwijnen, tenzij er ”punch through” wordt geboord). Zo werd bijvoorbeeld bij eerdere HDD-boringen vanuit een bouwkuip op het IJsselmeer naar het land toe geboord.

Er worden geen mitigerende maatregelen beschreven zoals kwelschermen, injectie, boren met drillgrout etc. De risico’s daarvan voor de waterkering zijn ten onrechte niet in beeld gebracht.

Kwel en piping

De invloed van kwel en piping is enkel onderzocht voor de bouwfase (bij een toetspeil van NAP +1,4 m) en niet voor de gebruiksfase (noch bij het huidige IJsselmeerpeil noch bij een 1,5 m hoger IJsselmeerpeil). Dit is een omissie in het onderzoek. Deze invloed en de gevolgen daarvan zijn ten onrechte niet in beeld gebracht.

Stabiliteitseisen kabelkruisingen

Bij de beoordeling van de macrostabiliteit tijdens de bouwfase wordt gesteld dat de stabiliteitsfactoren bij gebruik van rekenwaarden moeten voldoen aan de waarden F 1,16 binnenwaarts en 1,08 buitenwaarts. Deze waarden zijn niet nader onderbouwd, maar zouden zijn berekend volgens de methode uit het Addendum bij het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies. De daarin opgenomen eisen zijn strenger dan de eisen die bij het onderzoek zijn toegepast. Dit betekent dat de consequenties van toepassing van de correcte stabiliteitseisen voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase onvoldoende zijn onderzocht en dat de invloed en de gevolgen daarvan ten onrechte niet in beeld zijn gebracht.

 

6.7. Op basis van bovenstaande tekortkomingen in de uitgevoerde risico’s is sprake van onbekende risico’s zowel ten aanzien van de effecten van de aanleg en het gebruik van de windturbines voor de stabiliteit van de dijken, als ten aanzien van de additionele faalkansen, als ten aanzien van de effecten van de kabeldoorkruisingen op de waterkeringen en de grondwaterstromen (kwel!). Vanwege de omvang van het park en het grote aantal turbines, en de ligging langs/naast primaire waterkeringen zijn deze risico’s onaanvaardbaar. Zonder nader onderzoek naar deze risico’s kunnen het plan en de daarmee samenhangende besluiten niet worden vastgesteld.

6.8. Een ander gebrek in het onderzoek van dijkstabiliteit zijn de effecten van de gestuurde boringen onder de dijk door. Het MER vermeldt zelfs niets over de wijze waarop de gestuurde boringen worden uitgevoerd en de effecten van deze gestuurd boringen op de dijk. In de antwoordnota wordt op deze zienswijze gereageerd met een verwijzing naar de trillingsrisicoanalyse. Deze trillingsrisicoanalyse heeft echter de gestuurde boringen niet in beschouwing genomen noch de reeds verzwakte stabiliteit van de dijk door de boringen ten opzichte van de trillingen. De antwoordnota van het MER spreekt overigens van afstanden vanaf de dijk buiten de keurzone. De kabels gaan echter dwars door de dijk heen tussen het dijklichaam en door de keurzone. Het antwoord in de antwoordnota laat zien dat er onvoldoende kennis van de materie is terwijl er 60.000 mensen onder het Ijsselmeerpeil leven en rekenen op de stabiliteit van de dijk. Deze onwetendheid kan dus verregaande consequenties hebben.

6.9. Er is daarbij geen duidelijkheid over het exacte aantal boringen. In de vergunningaanvraag wordt gesproken over zes of acht boringen in een trace. In bijlage F2 van de MER is aangegeven waar de twee trace zullen zijn. De omvang van het trace is echter onduidelijk. De onderlinge afstanden tussen de boringen binnen het trace is eveneens niet duidelijk. Het is daarom opmerkelijk dat bijlage F2 een rapport bevat om de dijkstabiliteit te toetsen terwijl nog niet duidelijk is hoeveel gestuurde boringen zullen plaatsvinden en met welke onderlinge afstand. Het moge duidelijk zijn dat acht gestuurde boringen met een onderlinge afstand van een meter voor dijkinstabiliteit zal zorgen.

6.10. De gekozen Bishop methode voor de dijkstabiliteit kan geen rekening houden met de breedte van de ontgraving. Doordat men stelt dat de breedte niet meer dan drie meter beslaat, is er verder geen aandacht geschonken. Eén gestuurde boring heeft echter al twee meter breedte nodig waardoor per tracé een breedte creeert van minimaal twaalf meter wanneer men uitgaat van het minimale aantal van zes boringen en geen onderlinge afstanden. Doordat de boringen niet “koud” tegen elkaar aan mogen liggen, moet er rekening worden gehouden met een onderlinge afstand van minimaal vier meter zodat het trace op minimale eisen een breedte van 32 meter. Het rapport van Fugro is dus uitgegaan van verkeerde uitgangspunten waardoor het niet van waarde is in dit project.

6.11. Gelet op het hoge belang van de dijk is een goed en eerlijk rapport over de dijkstabiliteit funest. In diverse zienswijzen is hier meerdere malen op gewezen. Het is daarbij opmerkelijk dat sommige documenten niet beschikbaar zijn gesteld tijdens de ter inzage termijn. Deze documenten vormden echter onderdeel uit van het plan. Pas op 4 februari 2011, in de beroepstermijn, zijn bepaalde stukken beschikbaar gekomen middels een beroep op de Wet Openbaarheid bestuur. Doordat deze stukken niet tijdens de ter inzage termijn beschikbaar zijn gesteld, voelen wij ons geschaad in onze belangen.

 

7. Vogels

7.1. De Vogelbescherming Nederland, Staatsbosbeheer, Stichting Verantwoord Beheer Ijsselmeer hebben tijdens de ter inzage legging van het MER en later bij het Inpassingsplan en de vergunning hun zorgen en bezwaren geuit over het park. Zij vinden, net als ons, dat windmolens uit voorzorg niet mogen worden geplaatst in de belangrijkste Nederlandse vogelgebieden. Hiertoe worden in elk geval alle voor vogels aangewezen Natura 2000 gebieden gerekend, zoals het IJsselmeer. Hieronder zal puntsgewijs de volgende punten worden besproken ten opzichte van o.a. de vogels: Alternatievenafweging, Verstoringsafstanden, Beschikbaar habitat in de winter, Effecten op de vliegroute tussen de Steile Bank en de Noordoostpolder, De relatie tussen spiering en kwalificerende vogelsoorten uit het Natura 2000-gebied Ijsselmeer, De verwachte aanvaringen tussen vogels en windturbines, Onderzoek Toppereend, Het gebruik van de 1% norm, Mitigerende maatregelen en Cumulatie.

7.2. Na bestudering van de milieueffectrapportage inclusief de passende beoordeling komen wij tot de conclusie dat beide onvolledig zijn, waardoor een adequate inschatting van de effecten op vogelsoorten, waarvoor het Natura 2000-gebied IJsselmeer is aangewezen, niet mogelijk is. De huidige milieueffectrapportage bevat teveel onzekerheden en omissies om in dit stadium een gefundeerde uitspraak te doen over de effecten op vogelsoorten waar het Natura 2000 gebied IJsselmeer voor is aangewezen. Dit betekent dat op basis van de aanvraag van de Natuurbeschermingswetvergunning en het onderzoek dat aan de besluiten ten grondslag ligt significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. De besluiten zijn daarom in strijd met de artikelen 19 d, e, f, g, ia en j van de Natuurbeschermingswet en met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is het besluit voor het inpassingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening nu de Natuurbeschermingswet aan uitvoering van het plan in de weg staat. Wij verzoeken u dan ook de besluiten te herzien, de aanvraag voor de Natuurbeschermingswet-vergunning (voor)alsnog af te wijzen en niet over te gaan tot het vaststellen van het inpassingsplan.

7.3. Het IJsselmeer is aangewezen als Natura 2000-gebied voor onder andere een groot aantal vogelsoorten. Dit klinkt alsof het IJsselmeer in de huidige situatie een goed leefgebied vormt, en dat geldt zeker ook voor enkele vogelsoorten. Echter, een aantal vogelsoorten vertoont al jaren een negatieve trend waar het gaat om aantallen. Deze negatieve trend lijkt maar niet doorbroken te kunnen worden. De topper, grote zaagbek, nonnetje en fuut zijn enkele “boegbeelden” van deze negatieve trend. Diverse oorzaken zijn voor deze achteruitgang aan te wijzen, maar het mag duidelijk zijn dat in dit momentum elke nieuwe aantasting van het IJsselmeer als leefgebied voor deze soorten er één te veel is. Het moet daarom volkomen helder zijn dat negatieve effecten van het project op de vogelsoorten zullen zijn uitgesloten. Naar ons oordeel kan die conclusie niet worden getrokken op basis van de huidige passende beoordeling. Met onze zienswijze beogen wij te realiseren dat alvorens het project doorgang zal vinden de vereiste zekerheid bestaat over het uitblijven van significant negatieve effecten op de natuurwaarden van het IJsselmeer en de overige nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

 

Alternatievenafweging

7.4. In de milieueffectrapportage wordt een summiere beschrijving gegeven over hoe verschillende alternatieve locaties voor windmolenparken in de Noordoostpolder tegen elkaar zijn afgezet. Deze afweging is terug te vinden in het Algemene deel van Milieueffectrapport Windpark Noordoostpolder (blz 32 – 34). Het Windpark Noordoostpolder wordt hier vergeleken met locaties in de Noordoostpolder zelf en met een aantal meren grenzend aan de Noordoostpolder. Deze meren kwalificeren als Natura 2000-gebied, net als het IJsselmeer. De gehanteerde criteria om tot de alternatievenafweging te komen ontbreken grotendeels.

7.5. Wat opvalt is dat, ten aanzien van het aspect ecologie, alle alternatieve locaties positief scoren ten opzichte van het Windpark Noordoostpolder. De reden hiervoor is het feit dat het IJsselmeer is aangewezen als Natura 2000-gebied, en de alternatieven op het vasteland van de Noordoostpolder zijn dat niet (met uitzondering van de betreffende meren). Toch wordt ervoor gekozen om juist het Windpark Noordoostpolder als voorkeursalternatief te beschouwen en in de milieueffectrapportage verder uit te werken. Bij de onderbouwing van deze keuze is géén rekening gehouden met het ecologische aspect. Objectieve criteria ontbreken. Dit is tegenstrijdig met datgene wat in dezelfde paragraaf wordt geconstateerd, en dat is dat nagenoeg alle alternatieven op ecologie beter scoren dan het Windpark Noordoostpolder. Daarmee gaat de conclusie van de alternatievenstudie voorbij aan het feit dat het IJsselmeer een Natura 2000-gebied is. In de Antwoordnota Milieu Effect Rapport Windpark Noordoostpolder (mei 2010), kortweg Antwoordnota M.E.R., wordt gesteld dat in de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat significante effecten op natuur worden uitgesloten, en dat het daarom destijds gerechtvaardigd was om het IJsselmeergebied als voorkeursalternatief te bestempelen.

7.6. Los van het feit dat appelanten de conclusie ten aanzien van het ontbreken van significante effecten niet delen is dit niet de correcte route: bij een adequate alternatievenstudie wordt geen passende beoordeling opgesteld, maar worden de verschillende alternatieven op een aantal milieucriteria beoordeeld. Op basis daarvan wordt een milieueffectrapportage opgesteld, inclusief (in onderhavige situatie) een passende beoordeling. Omdat ons inziens wel degelijk sprake kan zijn van negatieve effecten op soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd (zie elders in deze zienswijze) is de in de milieueffectrapportage gehanteerde alternatievenafweging onvoldoende. Elke vorm van aantasting van het Natura 2000-gebied door windmolens kan immers worden voorkomen door te kiezen voor een alternatief buiten het IJsselmeer. Gelet op het voorzorgbeginsel waar de Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet van uit gaan en het feit dat een aantal soorten in het IJsselmeergebied in een ongunstige staat van instandhouding verkeren en/of een negatieve trend vertonen moet elk negatief effect op die soorten worden voorkomen. Al om die reden moet in de belangenafweging aan het Natura 2000 belang een zwaarder gewicht worden toegekend dan de overige in de afweging betrokken belangen. Daarnaast sluit de passende beoordeling significant negatief effect op de natuurwaarden van het IJsselmeergebied niet uit, zoals wij hieronder zullen betogen, en is ook om die reden de gedane locatiekeuze niet juist.

7.7. De aanwijzing als Natura 2000-gebied is wettelijk verankerd in de Natuurbeschermingswet, en vormt daarmee een relevant kader dat niet over het hoofd gezien mag worden. Nu lijkt de alternatievenafweging voornamelijk gestuurd door de aspecten “potentiële milieuwinst” en “landschap”. Dit is ons inziens onjuist. Ten eerste is potentiële milieuwinst niet vormgegeven binnen wettelijk kader, waardoor het niet toetsbaar is. Het ontbreken van een feitelijk en wettelijk kader maakt het niet mogelijk om het aspect “potentiële milieuwinst” mee te nemen in een alternatievenafweging omdat er geen criteria bestaan waaraan de winst gewogen kan worden. Dit in tegenstelling tot een Natura 2000-gebied, waarbij positieve of negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen maatgevend zijn. Ten tweede betreft het hier letterlijk een potentiële winst, wat wil zeggen dat het niet zeker is of deze winst ook geboekt gaat worden. Daarnaast is het aspect landschap op een onjuiste manier beoordeeld. Gesteld wordt dat een windpark in het binnenland van de Noordoostpolder de openheid hiervan aantast, en daarmee negatief scoort ten opzichte van het Windpark Noordoostpolder. Openheid zou in het IJsselmeer geen kernwaarde zijn, en dus scoort het Windpark Noordoostpolder zelfs een plus in Tabel 2.3 . Openheid is echter wél een kernwaarde van het IJsselmeergebied, zoals in de Nota Ruimte (2006) wordt aangegeven.

7.8. Begin jaren 2000 hebben ambtenaren van vier ministeries, in samenwerking met maatschappelijke organisaties, de “Integrale Visie IJsselmeergebied, de Koers verlegd” gepubliceerd. In deze nota, die in de Nota Ruimte is opgenomen, worden de kernwaarden van het IJsselmeergebied kort en krachtig beschreven. Openheid is een van de kernwaarden:

”Het begrip openheid/ruimte bestaat bij de gratie van de aanwezigheid van fysieke ruimtelijke begrenzingen. Het IJsselmeergebied bevat volledig aaneengesloten open ruimten van circa 1000 km2 (IJsselmeer) en circa 600 km2 (Markermeer). Vergelijkbare vergezichten zijn alleen aan de Noordzeekust en in het Waddengebied te ervaren.”

7.9. Het beleid in Noordoostpolder is er op gericht om de windmolens te concentreren aan de westelijke randen van het grondgebied. In de Nota Ruimte is opgenomen dat geen omheining mag plaatsvinden. Door het gat van ongeveer 2 km ter hoogte van de Rotterdamse Hoek zou volgens de Antwoordnota M.E.R van omheining geen sprake zijn. Wij bestrijden dit: naast het gat van 2 km zal er over een lengte van 18.1 km wél een hekwerk gaan ontstaan. De conclusie dat het IJsselmeer positief voor „openheid‟ scoort wanneer daar een windpark wordt gerealiseerd is daarmee strijdig met de Nota Ruimte.

7.10. Bovendien vormt deze ontwikkeling bezien vanuit het beschermd natuurmonument Friese IJsselmeerkust aan de zuidzijde van Friesland een aantasting voor de landschappelijke kwaliteiten van dit natuurmonument. In de huidige situatie wordt het landschappelijk beeld vanuit het natuurmonument bepaald door open water met, op grote afstand van het natuurmonument, in de zomermaanden waterrecreatie. De komst van windmolens langs de Noorderdijk zal dit beeld op drastische wijze gaan beïnvloeden, zoals hierboven beschreven. Het argument dat in de zomermaanden waterrecreatie het beeld al zodanig zou beïnvloeden dat de windmolens een minimale aanvulling op de landschappelijke beleving zijn is onjuist: de windmolens zijn permanent aanwezig (niet alleen in de zomermaanden) en kennen een dermate grote schaal en maat dat deze wel degelijk van invloed zullen zijn op de landschappelijke beleving vanuit het natuurmonument. Dit levert strijd op met artikelen 19ia jo 16 van de Natuurbeschermingswet (Nbwet 1998).

7.11. We constateren dat binnen de alternatievenafweging niet is gekeken naar locaties elders in Nederland. Op dit moment wordt door het ministerie van VROM, het IPO en de VNG studie verricht naar locaties op het vasteland van Nederland (inclusief de binnenwateren) om in totaal 6.000 megawatt aan windenergie te realiseren, waarbij het bundelen van windmolens in grote windmolenparken een van de opties betreft. Tot nu toe is het Windpark Noordoostpolder buiten deze studie gehouden. Een betere oplossing is om het beoogde Windpark Noordoostpolder als een van de mogelijke locaties binnen deze studie op te nemen, zodat (de relevantie van) dit windpark kan worden getoetst ten aanzien van alternatieve locaties op het vasteland in Nederland.

7.12. Ook op basis van de Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) behoort het IJsselmeer gebied tot het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. In het MER wordt geen rekening gehouden met de bepalingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ons inziens is ook Natura-2000 niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan “soorten” bescherming. Pal tegenover de Noordermeerdijk ligt de Steile Bank, een ondiepte voor de kust van Gaasterland, die enorme aantallen watervogels tot rust- en slaapplaats dient. (Bron IBN-DLO rapport 027). Als tweede voorbeeld wordt genoemd de verstoring in de rust- en fourageerzone voor verschillende soorten duikeenden die met regelmaat in grote getalen waar te nemen zijn in de eerste 500 m uit de Westermeerdijk. Gebleken is dat door het effect van het bestaande park aan de Westermeerdijk minder gebruik wordt gemaakt van deze zone vergeleken met het molenvrije traject ten noorden daarvan. Het MER rapport bagatelliseert de ecologische gevolgen van het windmolenpark en dient nader onderzocht te worden in het licht van de vogelrichtlijn.

7.13. Samenvattend wordt het volgende gesteld. Een goed onderbouwde alternatievenafweging van de initiatiefnemer is noodzakelijk om duidelijk te krijgen welke criteria zijn toegepast, en hoe de diverse criteria zijn gewogen. We constateren dat

- niet is meegewogen dat het IJsselmeer is aangewezen als Natura 2000-gebied en derhalve bescherming geniet conform de Natuurbeschermingswet.

- de weging niet overeenstemt met landelijke beleidskaders zoals verwoord in de Nota Ruimte.

-er bij de weging niet is gekeken naar alternatieve locaties elders in Nederland.

7.14. Daarom komen wij tot de conclusie dat het op basis van de gepresenteerde alternatievenafweging niet mogelijk is om een goed onderbouwd oordeel te kunnen vellen over de meest geschikte locatie voor een windpark in of nabij de Noordoostpolder of elders in Nederland. Anders dan GS stelt, zijn bovenstaande onder 1a en 1b genoemde argumenten ook relevant in het toetsingskader van de natuurbeschermingswet (Nbw 1998). Het college dient op grond van de artikelen 19d en 19e van de Nbw 1998 aan de hand van de aanvraag te beoordelen of de vergunning, rekening houdend met de gevolgen van de aangevraagde activiteit en gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de betrokken gebieden, bij afweging van de betrokken belangen kon worden verleend. Bij de toets van een vergunningaanvraag op grond van de Nbw 1998 kunnen daarom belangen zoals de noodzaak van de aangevraagde activiteiten in en direct bij Natura 2000-gebied IJsselmeer een rol spelen. Die noodzaak ontbreekt nu er vanuit moet worden gegaan dat de activiteiten elders (in Nederland) kunnen worden uitgevoerd waar geen of minder schade aan natuurwaarden zullen optreden. Ook een belang als de vereisten die de Nota Ruimte stellen ter zake “openheid” kan in deze afweging worden betrokken.

 

Verstoringsafstanden

7.15. Een relevant aspect voor het bepalen van de mate van verstoring van vogelsoorten waarvoor het IJsselmeer als Natura 2000-gebied is aangewezen zijn de gehanteerde verstoringafstanden per vogelsoort. Deze afstanden betreffen aannamen gebaseerd op Nederlands en buitenlands onderzoek, en worden door Bureau Waardenburg in de passende beoordeling gebruikt als vaste waarde.

7.16. De gehanteerde verstoringsafstanden zijn echter geen vaste maten, maar betreffen indicaties ten aanzien van de reactie van specifieke vogelsoorten op windmolens. Het is daarom onjuist om verstoringsafstanden, die onder bepaalde locatiespecifieke omstandigheden met bijbehorende variabelen tot stand zijn gekomen, één op één te extrapoleren naar de situatie in Windpark Noordoostpolder zoals in de milieueffectrapportage is gebeurd. Een vergelijking met de rapportage “Verstoringsgevoeligheid van vogels” is op zijn plaats. Dit rapport is eveneens opgesteld door Bureau Waardenburg, 2009, in opdracht van Vogelbescherming Nederland). Het rapport “Verstoringsgevoeligheid van Vogels” behandelt verstoringafstanden van vogels als gevolg van diverse recreatievormen, en bevat de volgende passage over het gebruik van de verzamelde verstoringafstanden:

“De verzamelde kennis in deze uitgave is bedoeld als hulpmiddel om mogelijke effecten in te kunnen schatten van bestaande gebruiksvormen, van inrichting en beheer alsmede van nieuwe plannen en/of projecten met name op het gebied van recreatie. De verstoringsafstanden die in het rapport zijn beschreven zijn gebaseerd op bestaand onderzoek in bestaande unieke situaties. Deze verstoringsafstanden kunnen niet geïnterpreteerd worden als universele, absolute waarden. Afhankelijk van omgeving, groepsgrootte, seizoen, etc., treden verschillen in verstoringsafstanden per soort op. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld ter vervanging van het onderzoek naar mogelijke effecten van een bepaalde ingreep op bepaalde soorten.”

7.17. Vanzelfsprekend is het rapport “Verstoringsgevoeligheid van vogels” niet toepasbaar op Windpark Noordoostpolder. In bijlage I van de ontwerp-natuurbeschermingswetvergunning stelt GS dat dit rapport niet gebruikt is. Dit is in tegenspraak met wat hierover in de Antwoordnota MER wordt gesteld. Het is ons niet duidelijk waarom Bureau Waardenburg verschillende uitgangspunten hanteert betreffende het principe van het gebruik van locatiegebonden informatie in generiek opzicht. Volgens GS kunnen op basis van binnenlands en buitenlands onderzoek eenduidige conclusies worden getrokken en is gebruik gemaakt van de best wetenschappelijke kennis. De aan de besluiten ten grondslag liggende stukken bieden echter te weinig inzicht in de systematiek van het onderzoek om dit te kunnen beoordelen. Uit de wel beschikbare informatie kunnen wij niet anders dan vooralsnog concluderen dat het onderzoek naar verstoring van de relevante vogelsoorten onvoldoende zorgvuldig is gebeurd en is gebaseerd op onjuiste aannames. Op basis van dit onderzoek zijn significant negatieve effecten ten opzichte van de instandhoudingsdoelen voor deze soorten dan ook niet uit te sluiten. Wij verzoeken u om aan de initiatiefnemer te verduidelijken waarom de gehanteerde systematiek als zodanig is toegepast.

7.18. Birdlife International hanteert als het gaat om afstanden van windturbines tot belangrijke vogelgebieden (zoals Natura 2000-gebieden) en broedplaatsen van een select aantal vogelsoorten, die gevoelig zijn gebleken voor windmolens de aanbevelingen uit 2007 van de Working Group of German State Bird Conservancies (Länder-Arbeitsgemeinschaft der Vogelschutzwarten, LAG-VSW). Deze afstanden zijn gepubliceerd in Vogelschutz 44 (2007). Vogelbescherming Nederland hanteert, als Nederlandse partner van Birdlife International, dezelfde afstanden. Kortweg komt dit op het volgende neer:

- Natura 2000-gebieden: houd een afstand aan van 10 maal de hoogte van de molen tot aan de grens van het Natura 2000-gebied, met als minimale afstand 1.200 meter.

- Windmolens in Natura 2000-gebieden dienen te worden voorkomen.

- Belangrijke vliegroutes tussen slaapplaatsen en foerageergebieden moeten worden vrijgehouden van windturbines.

- Belangrijke trekroutes dienen te worden vrijgehouden van windturbines.

- Minimaal 1.000 meter afstand tussen windturbines en specifieke broedvogelsoorten

7.19. De LAG-VSW-normering verschilt van de verstoringgetallen zoals deze in de passende beoordeling zijn gehanteerd, en richten zich volledig op het voorkomen van verstoring en slachtoffers als gevolg van windturbines. Achterliggende motivatie voor deze afstanden is het voorzorgbeginsel dat ook als uitgangspunt geldt in de Habitat- en Vogelrichtlijn. Over de nieuwe generatie windmolens (> 5 MW) en de omvang van de opstellingen zijn nog geen praktijkeffecten bekend. Door een ruime marge aan te houden wordt invulling gegeven aan het voorzorgbeginsel. In de milieueffectrapportage zijn twee varianten onderzocht: Opstellingen met een onderlinge afstand van 4 maal de rotordiameter en met 5 maal de rotordiameter. De onderlinge afstand varieert, afhankelijk van de locatie, van ongeveer 300 tot 650 meter. Dit betekent dat de ruimte tussen de molens binnen de LAG-VSW-normen valt, wat betekent dat verstoring van vogels niet kan worden uitgesloten. In het milieueffectrapport wordt echter, op basis van de gehanteerde verstoringafstanden, een verstoringvrije ruimte bepaald van ongeveer 600 meter. Wij verzoeken op basis van de LAG-VSW-normen een nieuwe effectbepaling uit te voeren, om zo inzichtelijk te maken welke consequenties het beoogde voornemen heeft op de vogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied IJsselmeer is aangewezen. Toepassing van deze normen heeft immers tot doel het voorkomen van verstoring

Beschikbaar habitat in de winter

7.20. De afgelopen winters zijn gekenmerkt door een langdurige koudeperiode, waarbij als gevolg van aanhoudende oostenwind grote delen van het IJsselmeer werden bedekt door ijs. Dit betekent dat het effectief beschikbaar oppervlak aan foerageergebied en rustgebied binnen het IJsselmeergebied aanzienlijk kleiner is ten opzichte van een ijsvrij IJsselmeergebied. In de huidige situatie levert dit geen problemen op, omdat het gedeelte dat open blijft tijdelijk voldoende rust, ruimte en voedsel biedt voor tijdelijke opvang van deze vogels. Dit zal echter gaan veranderen wanneer het Windpark Noordoostpolder wordt gerealiseerd. De ijsvrije delen bevinden zich hoofdzakelijk aan de oostzijde van het IJsselmeergebied, waar ook het Windpark Noordoostpolder gepland staat. Dit heeft tot gevolg dat het resterende, open water onderhavig is aan extra habitatverlies en verstoring, wat mogelijk consequenties heeft voor de overlevingskansen van de overwinterende watervogels.

7.21. Wij verzoeken u om de initiatiefnemer onderzoek te laten doen naar de consequenties van koude winters op de instanhoudingsdoelen van overwinterende watervogels waarvoor het IJsselmeergebied als Natura 2000-gebied is aangewezen en deze consequenties cumulatief te laten beoordelen met de effecten van de windmolenparken. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Hierbij dient ook in ogenschouw te worden genomen dat vogels vanuit omringende dichtgevroren Natura 2000-gebieden ook naar het laatste open water kunnen trekken.

 

Vliegroute Steile Bank- Noordoostpolder

7.22. Een van de aspecten waar de milieueffectrapportage negatief op scoort is het mogelijke effect op ganzen en kleine zwanen, wanneer deze van de slaapplaatsen van de Steile Bank en de rest van de Friese IJsselmeerkust heen en weer vliegen naar de foerageergebieden in de Noordoostpolder. Dit betekent dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor deze soorten niet uit te sluiten is. Deze vluchten vinden vooral in de schemering in de ochtend en avond plaats. Het milieueffectrapport schrijft hierover het volgende: “Het merendeel van de vogels zal willen uitwijken voor de turbineopstellingen bij de Noordermeerdijk. Indien ook de turbines bij de Westermeerdijk volgens plan worden ontwikkeld, is ruimte voor uitwijken beschikbaar bij de open ruimte (circa 1.400 m) tussen de opstellingen aan de Noorder- en Westermeerdijk.” Hierbij wordt geconstateerd dat ganzen hooguit een kilometer om moeten vliegen (door de kunstmatig geconstrueerde open ruimte), wat leidt tot een minimale extra energiebelasting.

7.23. Los van de vraag of het inderdaad mogelijk is om ganzen door een dergelijke ruimte te sturen, kunnen vraagtekens worden gezet bij deze redenering. Immers, de meeste vliegbewegingen vinden plaats in de vroege ochtend en avond, wanneer het zicht niet optimaal is en de kans op verstoring en aanvaringen dus groter. De milieueffectrapportage houdt hier geen rekening mee. Daarnaast wordt voorbijgegaan aan het feit dat in de Noordoostpolder een aangewezen en begrensd ganzenfoerageergebied aanwezig is, langs de Noordermeerweg en de Gemaalweg in het noordelijk deel van de Noordoostpolder. Dit gebied is ruimtelijk gesitueerd op ongeveer 2 km afstand van de dichtstbijzijnde geplande windturbine langs de Noordermeerdijk. Hoewel een ganzenfoerageergebied formeel geen wettelijke bescherming kent, is het wél een indicatie dat hier een voor ganzen belangrijk onderdeel van het leefgebied aanwezig is. De provincie Flevoland heeft het belang van dit gebied erkend door juist hier een ganzenfoerageergebied aan te wijzen en te begrenzen. In een dergelijk gebied kunnen boeren subsidie op grond van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN-regeling) ontvangen voor de opvang van ganzen in de wintermaanden.

7.24. Nu in het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelen voor verschillende ganzensoorten (en voor kleine zwaan) zijn opgenomen, is het effect van het windmolenpark op de ganzen (en kleine zwanen) die hier foerageren en dus op dit foerageergebied wel degelijk relevant voor de toets aan de Nbwet 1998. Bovendien geldt daarnaast dat GS op grond van art. 19 d en e Nbwet 1998 moet beoordelen of de vergunning, rekening houdend met de gevolgen van de aangevraagde activiteit en gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de betrokken gebieden, bij afweging van de betrokken belangen kan worden verleend. Bij deze toets kunnen belangen zoals de nabijheid van het ganzenfoerageergebied een rol spelen.

7.25. Bureau Waardenburg komt tot de conclusie dat voor de kleine zwanen, welke slapen op de Steile Bank en foerageren in de Noordoostpolder, het foerageergebied in de Noordoostpolder maximaal met 10% zal verminderen als gevolg van de lijnopstelling langs de Noordermeerdijk. Vervolgens wordt in de Aanvulling op het MER een aantal redenen geformuleerd waarom dit niet erg zou zijn. Wij achten echter een dergelijk groot verlies aan foerageergebied (of, anders gezegd, een verkleining van het foerageergebied met 10%) zonder dat hiervoor enige vorm van compensatie (alternatief foerageergebied) wordt geregeld onaanvaardbaar. Een afname van 10% aan foerageergebied kan wel degelijk een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen en dient daarom adequaat te worden beoordeeld. Elk onderdeel van het totale foerageergebied heeft zijn functie: het totaal aan afzonderlijke foerageergebieden vormt het uiteindelijke foerageergebied. Dit is relevant te beseffen, omdat bij onvoorziene toekomstige ontwikkelingen (bijvoorbeeld verandering in akkerteelt) delen van het foerageergebied ongeschikt kunnen raken. Ondanks de door Bureau Waardenburg toegepaste bagatellisering van de afname is aan het einde van de rit nog steeds 10% van het foerageergebied verloren gegaan als gevolg van het voornemen. Nu significant negatieve effecten vooralsnog niet zijn uitgesloten, verzoeken wij u geen vergunning te verlenen ten aanzien van de windmolenopstelling langs de Noordermeerdijk, gezien de situering van de opstelling tussen een belangrijke slaapplaats van ganzen bij de Steile Bank enerzijds en ganzenfoerageergebied anderzijds.

 

Afname spiering versus kwalificerende vogelsoorten

7.26. De spiering is een van de belangrijkste, zo niet de meest belangrijke voedselbron voor een aantal visetende vogelsoorten waarvoor het IJsselmeer als Natura 2000-gebied is aangewezen. Op dit moment bevindt de spiering zich in een neerwaartse spiraal, waarmee het belang van voldoende paaigronden voor deze soort alleen maar groter is geworden. De spieringstand is mede afhankelijk van de temperatuur van het water in de winterperiode, van visserijactiviteiten en van het aanbod aan geschikt paaigebied. In de milieueffectrapportage wordt aangegeven dat het risico voor de spiering in het plangebied van Windpark Noordoostpolder “mogelijk hoog” is (blz 197), waarbij als kanttekening wordt geplaatst dat de werkelijke analyse van het effect van onderwatergeluid op vis pas kan worden gemaakt als de geluidssterkten bekend zijn (Bijlage E4, blz. 17). Het uiteindelijke effect op de spieringpopulatie is relevant, omdat soorten als het nonnetje en grote zaagbek spiering als belangrijkste voedselbron hebben.

7.27. In de aanvulling op het MER, bijlage 1 Passende beoordeling, wordt door Bureau Waardenburg het volgende geconcludeerd ten aanzien van de spiering:

Spiering: Er bestaat een kans op negatieve effecten op de spieringpopulatie, omdat deze in slechte staat verkeerd en waarschijnlijk paait op de stenen oevers van de Noordoostpolder. De effecten op de spieringpopulatie hebben betrekking op een relatief klein gebied, slechts 2,3% van het gebied wordt door het onderwatergeluid in een mate dat het schadelijk is voor vissen en het betreft een tijdelijk effect. Het paaigebied tegen de oevers ligt buiten de TTS-zone. Derhalve zullen vislarven in ieder geval geen schadelijke effecten ondervinden dicht bij de kust. Belangrijke negatieve effecten op de spieringpopulatie kunnen dan ook worden uitgesloten.

7.28. Het woord “slechts” impliceert dat het om een relatief klein deel van het oppervlak van het IJsselmeer gaat, maar wij zien dit anders. Het totale oppervlak van het IJsselmeer bedraagt 113.346 ha zoals genoemd in de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Een tijdelijke afname van 2,3% van het foerageergebied van visetende watervogels betekent dus in de praktijk een afname van 2.607 ha. Deze afname geldt niet alleen voor de spiering, maar voor alle vissoorten zoals pos, blankvoorn en baars. Ook deze soorten vormen voedsel voor visetende watervogels. Daarnaast blijft het de vraag of volwassen spiering het gebied überhaupt nog kunnen bereiken om zich langs de stenen oever te kunnen voortplanten. Door onderwatergeluid is immers de directe omgeving van het voortplantingsgebied ongeschikt geworden als leefgebied voor spiering. Overigens gaat het vissenonderzoek enkel over de aanlegfase, over de gevolgen van onderwatergeluid ten tijde van de gebruiksfase wordt geen uitspraak gedaan. Dit ten onrechte want ook in de gebruiksfase kan onderwatergeluid negatief effect op vissen en daarmee op visetende vogelsoorten hebben.

7.29. Nonnetje en grote zaagbek komen de laatste jaren in lagere aantallen voor dan de voor deze soorten geformuleerde instandhoudingsdoelen. Daarvoor zijn diverse redenen aanwezig. Een van de mogelijke redenen voor de lagere aantallen is de afname van de spiering. Een verdergaande afname van de vitaliteit en de reproductie van de spiering zal leiden tot het minder geschikt worden van het IJsselmeer als foerageergebied voor nonnetjes en grote zaagbek, en kan daarmee een direct effect hebben op het al dan niet halen van de instandhoudingsdoelen voor beide soorten. Deze koppeling wordt in de milieueffectrapportage echter niet gemaakt, waardoor de conclusie dat er geen (significant) negatief effect optreedt voor beide vogelsoorten niet gerechtvaardigd is.

7.30. Hetzelfde geldt voor de visdief en zwarte stern, beide kwalificerende vogelsoorten voor het Natura 2000-gebied IJsselmeer en beide eveneens in hoge mate afhankelijk van spiering. De visdief kwalificeert als broedvogel en heeft in 2009 in het IJsselmeer zelfs een desastreus broedseizoen achter de rug als gevolg van een ernstig tekort aan grote spiering (Laag broedsucces visdieven op de Kreupel in 2009. Bureau Waardenburg, in opdracht van Vogelbescherming Nederland; te downloaden via www.vogelbescherming.nl ).

7.31. De te verwachten afname van spiering moet verder worden gekwantificeerd, in samenhang met andere aspecten die een negatieve impact op de spiering kunnen hebben. Vervolgens moeten de consequenties van deze afname voor de visetende vogelsoorten, waarvoor het IJsselmeer is aangemeld als Natura 2000-gebied, inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij dienen zowel de effecten tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase te worden bepaald, en moet met name worden gefocust op de consequenties voor de vogelsoorten die de spiering als belangrijkste voedselbron hebben, zoals onder andere visdief, zwarte stern, grote zaagbek en nonnetje, in relatie tot de instandhoudingsdoelen voor deze soorten. Nogmaals: het gaat hier om soorten met een neergaande, negatieve trend. Daarbij liggen de populatieaantallen van soorten als nonnetje en grote zaagbek onder de instandhoudingsdoelen. In die omstandigheden is ieder negatief effect significant. Een verdere achteruitgang in voedselaanbod kan wel degelijk negatieve effecten hebben op de uiteindelijke aantallen visetende watervogels. Het huidige onderzoek is onvolledig waardoor het onzeker is of sprake zal zijn van significant negatief effect op de voor bedoelde vogelsoorten geformuleerde instandhoudingsdoelen. Gelet daarop kan de gevraagde natuurbeschermingswetvergunning vooralsnog niet worden verleend en is het ontwerp-besluit voor het inpassingsplan in strijd met art. 19j Nbwet 1998 en met een goede ruimtelijke ordening nu de Nbwet 1998 aan uitvoering van het inpassingsplan in de weg staat.

 

Onderzoek Topper

7.32. De topper is aangewezen als een van de soorten voor het Natura 2000-gebied IJsselmeer. De soort verkeert landelijk en ook in Natura 2000-gebied IJsselmeer in een ongunstige staat van instandhouding (zie aanwijzingsbesluit en p, 88 Antwoordnota MER). Daarnaast is sprake van een negatieve trend. Voor toppers is aangenomen dat de huidige aantallen bij de Noordoostpolder beduidend lager liggen dan de getelde aantallen in het verleden op grond van de resultaten van het veldonderzoek in de winter van 2007/2008 (Milieueffectrapportage, blz. 176). In het recente verleden zijn, in vergelijking met de resultaten uit de winter van 2007/2008, grote aantallen topper in het plangebied waargenomen. Dit wordt ook door de onderzoekers geconstateerd in Bijlage E2 van het milieueffectrapport:

Uit de gegevens van maandelijkse tellingen vanuit een vliegtuig van toppers in het IJsselmeergebied uit de seizoenen „00/01 t/m „04/‟05, blijkt dat langs de dijk van de Noordoostpolder in deze periode ‟s winters regelmatig belangrijke aantallen toppers op het IJsselmeer verbleven. De aantallen toppers varieerden hier tussen enkele duizenden tot circa 10.000 vogels. Het gemiddelde seizoensmaximum voor deze periode langs de IJsselmeerdijk van de Noordoostpolder bedroeg circa 5.900 toppers. De belangrijkste concentraties werden vastgesteld in de omgeving van de Rotterdamse Hoek en langs de Noordermeerdijk”.

7.33. Uit de berekeningen voor het aantal verstoorde vogels blijkt, in Bijlage E2 (blz. 99), dat honderden toppers zullen worden verstoord als gevolg van realisatie van het windpark Noordoostpolder. Dit aantal is naar verwachting een onderschatting (zie punt 2 uit deze zienswijze: Verstoringsafstanden). Vervolgens wordt beredeneerd dat de uiteindelijke effecten van het windpark op toppers nul is. De reden hiertoe is de volgende:

“Voor het Windpark Noordoostpolder in zijn geheel is op basis van het deskundigenoordeel bepaald dat verstoorde toppers kunnen uitwijken naar alternatieve rustgebieden in de directe omgeving. Er is derhalve geen verstoringseffect voor deze soort.”

7.34. In bedoeld deskundigenoordeel is echter geen rekening gehouden met mogelijke effecten van andere plannen of projecten. Dit is wel vereist in gevolge art. 19f Nbwet en de jurisprudentie van het Hof van Justitie . Volgens die jurisprudentie moeten in een passende beoordeling immers alle aspecten van het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, worden geïnventariseerd. De passende beoordeling vertoont dan ook op dit punt een hiaat. Het deskundigenoordeel wordt ondersteund door de lagere aantallen toppers dan normaal tijdens de afgelopen winter in het plangebied. Wat in het deskundigenoordeel wordt genegeerd is dat de monitoringsresultaten van één winter feitelijk een momentopname is waar geen conclusies van dergelijke aard aan kunnen en mogen worden verbonden. Met andere woorden: het deskundigenoordeel gaat voorbij aan het feit dat er wel degelijk geschikt leefgebied voor de topper verloren gaat.

7.35. Het bijlagenrapport merkt op dat het duurzaam ongeschikt maken van moet worden voorkomen, maar er worden geen verdere consequenties aan deze opmerking gekoppeld. Dit is tegenstrijdig met de voorgaande redenering, dat een verlies aan rustgebied in de omgeving kan worden opgevangen. De Antwoordnota M.E.R bagatelliseert het verlies aan leefgebied als verwaarloosbaar ten opzichte van het gehele IJsselmeer. Dit impliceert dat het gehele IJsselmeergebied geschikt is als rustgebied, wat in de praktijk niet waar blijkt te zijn: de locaties van rustgebieden van grote groepen toppers in de winter zijn al decennia lang gelijk. Als het gehele IJsselmeer geschikt zou zijn als rustgebied, dan zou de soort in de winter een veel diffuser verspreidingspatroon hebben over het gehele Ijsselmeer. In het definitieve aanwijzingsbesluit behorende bij de aanwijzing van het Natura 2000-gebied IJsselmeer, wordt voor de topper een instandhoudingsdoel geformuleerd en daarnaast wordt beschreven dat de soort een landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding kent:

“Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 15.800 vogels (seizoensgemiddelde)”. In de toelichting hierop wordt vermeld dat “het behoud van de huidige situatie voldoende is, ondanks de landelijke zeer ongunstige staat van instandhouding, omdat de recente afname in het IJsselmeer niet heeft geleid tot lagere aantallen dan voor de toename.”

7.36. De Antwoordnota M.E.R trekt een vreemde conclusie:

” De topper kent een negatieve staat van in standhouding in het IJsselmeer, er is en blijft echter voldoende voedsel en ruimte in het gebied om de instandhoudingsdoelen te realiseren”.

Het feit dat door het Rijk wordt geconstateerd dat de topper zich in een landelijke zeer ongunstige staat van instandhouding bevindt en het feit dat de topper zich in het gebied in een ongunstige staat van instandhouding bevindt en een negatieve trend vertoont is reden genoeg om geen enkele achteruitgang van leefgebied voor de toppereend te accepteren. In die omstandigheden is elk negatief effect immers significant.

 

Aanvaringen tussen vogels en windturbines

7.37. Volgens de milieueffectrapportage worden jaarlijks tussen de 3.500 en 4.191 vogels gedood als gevolg van een aanvaring met een windmolen in het Windpark Noordoostpolder. Dit betekent concreet dat in een periode van 20 jaar naar schatting tussen de 70.000 en 83.820 vogels zullen sterven wanneer het windpark wordt gerealiseerd.

7.38. Het is van belang te beseffen dat de gehele dijk een belangrijke trekroute is voor vogels, waarbij als gevolg van stuwing   jaarlijks honderdduizenden vogels langs trekken. De Nationale Windmolenrisicokaart voor Vogels (Vogelbescherming Nederland, 2009 – deelkaart vogeltrek) geeft de relevantie van het plangebied voor trekvogels duidelijk weer. De conclusie in de milieueffectrapportage is, met betrekking tot kwalificerende vogelsoorten uit het Natura 2000-gebied IJsselmeer, dat dit beneden de zogenaamde 1% norm blijft en dus geen significant effect op de vogelsoorten tot gevolg heeft.

7.39. Naar onze mening is het aantal aanvaringsslachtoffers veel te laag ingeschat. De gebruikte rekenmethodiek is afkomstig van Winkelman et al, en is afgeleid uit onderzoek nabij Oostbierum. In de methodiek worden voor verschillende soortgroepen verschillende “gemiddelde aanvaringskansen” gegeven, die zijn gebaseerd op het onderzoek bij Oostbierum. Deze getallen worden gebruikt bij het bepalen van de aantallen aanvaringsslachtoffers in het Windpark Noordoostpolder, conform de formule zoals omschreven in Bijlage E1 (blz. 95). Er is echter een belangrijk verschil tussen de situatie bij Oostbierum en Windpark Noordoostpolder: het Windpark Noordoostpolder is gesitueerd midden in een belangrijke trekvogelroute, en het park bij Oostbierum is dat niet. Daarnaast is het aantal molens en bijbehorend oppervlak bij Oostbierum kleiner dan het geplande aantal molens en oppervlak bij het Windpark Noordoostpolder, is de landschappelijke situatie anders en betreft het bij het Windpark Noordoostpolder een groter aantal vogelsoorten. Volgens GS zou ook ander onderzoek zijn gebruikt en is er een correctie toegepast voor de situatie in de Noordoostpolder. Hoe dit is gebeurd en berekend is echter niet inzichtelijk gemaakt en daarom ook niet te toetsen. Wij verzoeken u alsnog inzage te verstrekken in de gehanteerde systematiek en berekening zodat wij dit alsnog kunnen beoordelen. Vooralsnog kunnen wij niet anders dan ons standpunt dat het onderzoek op dit punt onzorgvuldig en onvolledig is handhaven.

7.40. Nabij het einde van de Zuidermeerdijk, bij de Ketelbrug is een vogeltrektelpost gesitueerd, waarvan zeer veel waarnemingen van trekvogelsoorten en aantallen bekend zijn (www.trektellen.nl). Het gaat hier op topdagen soms om honderdduizenden zangvogels en duizenden ganzen en eenden per dag. Deze aantallen worden overdag waargenomen. Belangrijk daarbij is te beseffen dat een zeer groot deel van de trekvogels ‟s nachts vliegt, en dus niet door de waarnemers worden opgemerkt. „s Nachts vindt weliswaar een minder gestuwde trek plaats, maar gezien de zeer grote aantallen vogels die overdag passeren is het de verwachting dat een groot deel van de vogels ook „s nachts het plangebied passeren. Kleine vogels die boven de 100 meter vliegen worden eveneens niet opgemerkt. Conclusie: De werkelijke aantallen trekvogels langs de kust van de Noordoostpolder zullen derhalve nog vele malen hoger zijn, waarmee het belang van het projectgebied voor trekvogels te laag is ingeschat. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat onder de slachtoffers nauwelijks soorten zijn waarvoor in het aanwijzingsbesluit van Natura 2000-gebied IJsselmeer instandhoudingsdoelen zijn opgenomen. Ook dit is niet te verifiëren nu de bij het onderzoek gehanteerde systematiek niet inzichtelijk is gemaakt.

7.41. In de antwoordnota M.E.R. is de appellanten verweten dat zij enkel constateren dat er hiaten in de systematiek zitten, maar dat zij zelf geen methodiek aandragen die wél tot juiste aantallen slachtoffers leiden. Dit is de omgekeerde wereld: de appellanten zijn geen adviesbureau. Het is aan de initiatiefnemers om aan te tonen dat significant negatieve effecten op de natuurwaarden zijn uitgesloten. Wij kunnen slechts omissies in de systematiek constateren die door de initiatiefnemers ingevuld zouden moeten worden.

7.42. Een herziene methodiek is noodzakelijk, zodat een nieuwe berekening kan worden opgesteld voor de aantallen aanvaringsslachtoffers met inachtneming van bovenstaande aspecten. Hierbij moeten de gevolgen voor zowel trekvogels als (overige) vogelsoorten waarvoor het IJsselmeer zich kwalificeert als Natura 2000.

7.43. Een belangrijk aspect waar de milieueffectrapportage niet op ingaat, is de gevolgen voor vogels met een lage reproductie. Het gaat hierbij om soorten met een lange levensduur die relatief weinig nakomelingen voortbrengen, zoals roofvogels en zwanen. Dergelijke vogelsoorten zijn extra gevoelig voor onnatuurlijke sterfte door windmolens, omdat extra sterfte van een betrekkelijk klein aantal exemplaren van deze soorten al kan leiden tot achteruitgang van de populatie. Via www.trektellen.nl is zeer veel informatie te achterhalen over de soortsamenstelling van trekvogels die zich langs de kust van de Noordoostpolder bewegen. Veel soorten met een lage reproductie worden pas na enkele jaren geslachtsrijp, maar migreren wel jaarlijks door of naar het plangebied. De kans dat een vogel het slachtoffer wordt zonder nakomelingen geproduceerd te hebben is dus relatief groter dan soorten die binnen een jaar geslachtsrijp zijn (soorten met een hoge reproductie).

7.44. In de Antwoordnota M.E.R. wordt gesteld dat soorten met een lage reproductie, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn gesteld, niet in belangrijke aantallen in het plangebied voorkomen. Een onderbouwing van deze aanname ontbreekt echter, zodat deze opmerking niet op waarde kan worden geschat. In de milieueffectrapportage dient inzichtelijk worden gemaakt welke soorten met een lage reproductiefactor slachtoffer kunnen worden van voorgenomen Windpark Noordoostpolder, teneinde afdoende te kunnen bepalen of er effecten op van deze soorten te verwachten zijn en of deze effecten consequenties hebben voor instandhoudingsdoelen van deze soorten.

7.45. In het Milieu Effect Rapport wordt geconcludeerd dat er jaarlijks een groot aantal vogelslachtoffers gaan vallen en dat dit mede van belang is vanuit de Flora- en Faunawet. Alle vogels genieten bescherming ingevolge de Flora- en Faunawet. Daarom dient een ontheffing van de Flora- en Faunawet te worden aangevraagd voor het doden en verontrusten van vogels. Hetzelfde geldt voor de ruige dwergvleermuis. Naar verwachting zal het windmolenpark de trekroute van deze vleermuissoort aantasten omdat het luchtdrukverschil dat door de rotorbladen wordt opgewekt voor deze soort fataal is.

 

Gebruik 1% norm

7.46. In de zaak Hof van Justitie EG, 9 december 2004, C-79/03 is geoordeeld dat het 1 % criterium geformuleerd door het ORNIS comité gebruikt kan worden als norm om te bepalen of er sprake is van kleine hoeveelheden in de zin van artikel 9 Vogelrichtlijn voor wat betreft het vangen van vogels met lijmstokken. Dit 1 % criterium houdt in dat iedere impact van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de populatie (gemiddeld) voor niet bejaagbare soorten en 1 % voor soorten die wel bejaagbaar zijn, gezien wordt als zijnde een kleine hoeveelheid. Dit onder art. 9 Vogelrichtlijn maakt een onderbouwde uitzondering op het verbod om vogels te doden (soortenbescherming). De Afdeling Bestuursrechtspraak oordeelde op 1 april 2009 dat bij afwezigheid van andere wetenschappelijke criteria, deze norm gebruikt kan worden als basis om te beslissen of het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers de natuurlijke kenmerken van het gebied zal aantasten of een verstorend effect zal hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Overigens wordt in deze zaak wel geconcludeerd dat er een verplichting bestaat tot monitoring en het zonodig nemen van passende maatregelen.

7.47. Het gebruik van de 1% norm kan significante effecten als gevolg van het Windmolenpark Noordoostpolder niet uitsluiten. Deze norm is ontwikkeld in het kader van de soortenbescherming op grond van de Vogelrichtlijn. Het is niet duidelijk of het Hof van Justitie deze norm ook acceptabel vindt als invulling van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn. Deze norm is geformuleerd binnen een kader waarin exacte slachtoffer aantallen benoemd konden worden. Zo is in Nederland deze norm toegepast op het rapen van kievitseieren. Hierbij kan exact vastgesteld worden hoeveel eieren geraapt gaan worden. Dat is bij een aanvaringsrisico voor windmolens niet het geval. Niet uitgesloten kan worden dat er uiteindelijk meer slachtoffers vallen dan voorspeld. Terwijl uit een aantal zaken duidelijk als eis naar voren kwam dat er pas sprake kan zijn van acceptabele kleine hoeveelheden wanneer er geen mogelijkheid bestaat dat er meer slachtoffers zullen zijn dan 1% van de jaarlijkse sterfte (HvJ EG Commissie vs. Spanje, 9 december 2004, C-79/03 en HvJ EG commissie vs. Finland, 15 december 2005, C-344/03). Ook in dit geval bestaat de mogelijkheid dat het aantal slachtoffers in de praktijk hoger zal blijken te zijn dan 1% van de jaarlijkse sterfte.

7.48. Daarnaast houdt de 1% norm, en dus het bepalen van de impact van het aantal aanvaringsslachtoffers, geen rekening met de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoort. Wanneer de soort in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, dan kan 1% al een significant effect opleveren. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2009 in de voorlopige voorziening over de verruiming van de vaargeul in de Westerschelde. Het gebruik van de 1% norm kan überhaupt niet worden toegepast in een situatie waarin geen sprake is van een gunstige staat van instandhouding. In dat geval is het zo dat hoe slechter het met de populatie gaat – en hoe hoger het sterftecijfer dus is – hoe meer slachtoffers mogen vallen voordat de 1% norm wordt bereikt. Dus hoe slechter het met de soort gaat, hoe groter de impact is die als niet significant wordt bestempeld. Effecten zijn groter dan het aantal slachtoffers.

7.49. Een zeer belangrijke reden waarom de 1% norm niet als norm kan worden gehanteerd bij het bepalen van de significantie is omdat het een te beperkte bepaling is van de omvang van het effect op de natuurlijke kenmerken. Een voorbeeld is de barrièrewerking van een dergelijk windmolenpark en het moeten omvliegen als gevolg hiervan. Aanvaringsslachtoffers en barrièrewerking en overige hinder door de windmolens zullen cumulatief moeten worden beoordeeld, wat in dit geval niet is gebeurd. Bovendien zijn het bij broedvogels niet alleen de aanvaringsslachtoffers die sterven: ook nestjongen moeten als slachtoffer worden beschouwd wanneer het nest verloren gaat als gevolg van sterfte van (een van de ) oudervogels. Al deze zaken moeten worden meegewogen om een onderbouwd uitblijven van significante effecten te kunnen constateren. Het gepresenteerde onderzoek is ontoereikend om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat er geen significante negatieve effecten zullen optreden.

7.50. Mocht er desalniettemin gebruikt worden gemaakt van de 1% norm dan vertoond het windpark eveneens gebreken. Hiervoor verwijzen wij naar significanten schadelijke effecten op de Zeearend. Immers, indien ook maar één Zeearend verongelukt door het windturbinepark is daarmee direct het criterium van 1% van de mortaliteit vergaand overschreden. Dit brengt mee dat voor het project ook een vergunning op grond van de externe werking van de Natuurbeschermingswet 1998 vereist is wegens de effecten die het windturbinepark kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. De Zeearend vormt een van de instandhoudingdoelen van dit gebied. Dit is in de besluitvorming miskend. De passende beoordeling die aan de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 ten grondslag ligt is daarom onvolledig met als gevolg dat de vergunning in strijd is met artikel 3:2 van de Awb en met de artikelen 19d en 19f van de Natuurbeschermingswet 1998. Bovendien, nu aannemelijk is dat het widnturbinepark significante effecten heeft op de Zeearend, had het bevoegd gezag de zogenoemde ADC-toets moeten toepassen zoals voorgeschreven in de artikelen 19g en 19h van de Natuurbeschermingswet 1998.   Gezien de risico's van het windturbinepark voor de Zeearend had ook voor deze soort een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet moeten worden aangevraagd. Daarnaast had men in het kader van de vaststelling van het rijksinpassingsplan moeten nagaan of redelijkerwijs te verwachten viel dat voor deze soort een ontheffing verleend kon worden. Voor het overige zij verwezen naar hetgeen elders in dit beroepschrift over de toepassing van de Flora en Faunawet is opgemerkt.

 

Mitigerende maatregelen

7.51. Het is vooralsnog niet zeker of de in de MER geschetste voorgestelde mitigerende maatregelen in de Rotterdamse Hoek voldoende zijn om de effecten van de afname van geschikt leefgebied te neutraliseren. Het is onduidelijk of de mitigerende maatregelen bij de Rotterdamse Hoek überhaupt wel zullen gaan werken. Eerst moet, zoals eerder betoogd in deze zienswijze, beter worden onderzocht wat de precieze omvang van de afname van het leefgebied is voor de verschillende soorten waarvoor het IJsselmeer is aangewezen. Daarna moet worden vastgesteld of dit een significant negatief effect oplevert zonder de natuurvriendelijke maatregelen hierbij te betrekken. Pas dan kan worden bekeken of mitigerende maatregelen voldoende effectief zijn om het negatieve effect op te kunnen heffen, met inachtneming van de verschillende eisen die de betreffende soorten aan hun leefomgeving stellen.

7.52. In de vergunningvoorschriften is bepaald dat eerst de mitigerende maatregel aangelegd moet worden en dan de buitendijkse molens. Gelet op de onzekerheid van het positieve effect van de mitigerende maatregel op de natuurwaarden zal echter eerst dit positieve effect gerealiseerd moeten zijn alvorens de windmolens in bedrijf kunnen worden gesteld. De mitigerende maatregel is immers bedoeld om significant negatieve effecten te voorkomen. Als de negatieve effecten eerder dan het positieve effect zouden intreden, is dit niet gewaarborgd.

7.53. Daarnaast zullen voorgestelde mitigerende maatregelen in de Rotterdamse Hoek jaarlijks moeten worden gemonitoord om vast te kunnen stellen of het gewenste resultaat wordt bereikt. Wij bevelen aan om een monitoringsplan op te stellen, waarin onder andere wordt aangegeven wat het doel is, wanneer het doel bereikt is en, vooral, welke consequenties volgens als blijkt dat de voorgestelde mitigerende maatregelen in de Rotterdamse Hoek niet (voldoende) functioneren.

7.54. Het Rijksinpassingsplan bevat verder geen maatregelen waarmee aanvaringen van vogels kunnen worden voorkomen of mitigerende maatregelen waarmee het aantal slachtoffers zo veel mogelijk kan worden geminimaliseerd. De Vogelbescherming Nederland heeft daarbij geadviseerd om een aanvulling op te nemen waarbij op dit aspect wordt ingegaan met het volgende:

* Groen licht. het toepassen van groen licht op de molens in plaats van rood of wit licht. Groen licht heeft de minst aantrekkende werking op ‟s nachts vliegende vogelsoorten, in tegenstelling tot andere kleuren licht

* Monitoring met behulp van high sensitive camera‟s. Imares Texel past deze camera‟s reeds met succes toe. Deze camera‟s registreren dag en nacht het doen en laten van vogels in het onderzoeksgebied, waarmee een schat aan informatie verkregen wordt over vogelbewegingen door het park.

* Stilzetten windmolens. Wanneer wordt gesignaleerd dat er significante vogelbewegingen plaatsvindt door het windmolenpark dienen de windmolens stil te worden gezet teneinde aanvaringslachtoffers te voorkomen. “Significante vogelbewegingen” dienen van tevoren worden gedefinieerd.

 

7.55. Met het in de natuurbeschermingswetvergunning genoemde monitoringplan is niet verzekerd dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Indien wordt geconstateerd dat het aantal aanvaringsslachtoffers groter is dan ingeschat, is de vraag of tijdig voor dat significant effect is bereikt maatregelen getroffen kunnen worden. Daarnaast houdt het vergunningvoorschrift over de stilstandvoorziening niet in een verplichting tot het stilzetten van de molens, noch onder welke omstandigheden dit moet gebeuren.

 

Cumulatie

7.56. Een volledige passende beoordeling bevat het aspect cumulatie, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welk effecten het project waarvoor vergunning wordt gevraagd samen met alle andere voorgestelde en uitgevoerde plannen en projecten in en rondom de betrokken Natura 20000-gebieden hebben op de natuurwaarden van die gebieden. De richtlijnen voor het MER zijn in dit geval duidelijk: “Indien er, ten gevolge van het voornemen afzonderlijk of in samenhang met andere plannen of projecten, sprake kan zijn van significante gevolgen voor de soorten op grond waarvan het IJsselmeer zich als Natura 2000-gebied heeft gekwalificeerd, dan dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd.

7.57. Vanwege de status van het IJsselmeer als Vogelrichtlijngebied dient in de MER niet alleen aandacht besteed te worden aan de gevolgen van elk park afzonderlijk en aan de gevolgen van de combinatie van meerdere of alle windparken, maar ook aan de cumulatieve effecten van alle windparken en andere initiatieven langs en in het Vogelrichtlijngebied IJsselmeer”.

7.58. Ook het Hof van Justitie is duidelijk hierover in het Kokkelvisserijarrest. Hierin is bepaald dat een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Hierbij moet ook met de al bestaande druk op de instandhoudingsdoelen rekening worden gehouden. Niet blijkt dat een dergelijk met concrete feitelijke gegevens onderbouwd onderzoek naar cumulatieve effecten heeft plaatsgevonden. Slechts een zeer beperkt onderzoek naar cumulatieve effecten (aanvaringsslachtoffers) is gebeurd. Dit is in strijd met art. 19f Nbwet 1998.

7.59. Recentelijk heeft het ministerie van VROM een verkennende studie uitgevoerd naar het realiseren van rond de 2000MW aan windenergie op land: het Ruimtelijk Perspectief Windenergie op Land. Dit Ruimtelijk Perspectief is een beleidsvoorbereidende studie, waarin de ruimte voor meer grote windturbines in windparken op land is verkend en op basis daarvan voorstellen worden gedaan. Het ging hierbij vooral om het zoeken naar gebieden die het meest geschikt zijn voor grootschalige windenergie: windparken groter dan 100MW. Een van deze zoekgebieden betreft het IJsselmeer. Het feit dat het ministerie van VROM een zoekgebied in het IJsselmeer heeft aangewezen had zorgvuldigheidshalve bij het cumulatief onderzoek betrokken moeten worden.

7.60. In het MER wordt juist geconcludeerd dat voor de fuut, topper, kuifeend, nonnetje en grote zaagbek mogelijk “belangrijke” aantallen vogels door een of meerdere plannen of projecten worden verstoord. De bijdrage hieraan door realisatie van het Windpark Noordoostpolder wordt in de MER als nul beschouwd. Dit terwijl zoals uit al het bovenstaande blijkt het effect op de kwalificerende vogelsoorten onvoldoende is onderzocht. Voor cumulatie is overigens niet alleen het aspect verstoring van belang maar het totaal van de effecten op de vogelsoorten. Het onderzoek naar cumulatieve effecten is dan ook onzorgvuldig en onvolledig geweest. De conclusie dat significante effecten van het project in combinatie met andere projecten en plannen zijn uitgesloten, is daarom niet gerechtvaardigd.

7.61. Gelet op art. 19 e, f, g en j Nbwet 1998 kan dan ook geen toestemming voor het project worden verleend, tenzij nader onderzoek significant negatieve effecten alsnog zal uitsluiten. Het onderzoek naar cumulatie dient dan opnieuw te worden uitgevoerd. Hierbij moet niet alleen worden gekeken naar fuut, topper, kuifeend, nonnetje en grote zaagbek, maar naar álle vogelsoorten waarvoor het IJsselmeer als Natura 2000-gebied is aangewezen.

 

8. Vleermuizen

8.1. Urk heeft een lange geschiedenis als gastvrij dorp. Dat dit zich niet beperkt tot ontvangst van mensen, bewijst het vleermuizenonderzoek  uit de Milieu Effect Rapportage (MER). Vele vleermuizen vinden namelijk toevlucht op en rondom Urk. Vroeger werden zij verstoten als vliegende ratten maar vonden buiten de stedelijke kern een geschikte verblijfplaats op ons eiland. Onze passieve maar tolerante houding zorgde ervoor dat bijna uitgestorven vleermuizensoorten in populatie konden toenemen. Inmiddels is de maatschappelijke kijk op vleermuizen veranderd en zijn zij zelfs beschermd op nationaal en Europees niveau. Desalniettemin moet het weer aan de Urker bevolking  liggen om deze bedreigde dieren te beschermen tegen onze economische expansiedrift.

8.2. De Koepel Windenergie Noordoostpolder  (KWN) heeft in september 2006 zeven dagen onderzoek gedaan naar vleermuizen. In het najaar van 2007 is er ook eenmalig onderzoek uitgevoerd. Dit beperkte en inmiddels verjaarde onderzoek heeft geleid tot “gekleurde” conclusie waarbij de KWN de aanwezigheid van zelfs zeldzame vleermuizen negeert. Hieronder zullen de meest in het oog springende onjuistheden worden aangetipt zodat men zelf een kritische blik op het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies kan vormen.

 

 

 

Omvang onderzoeksmethode

8.3. Het onderzoek naar vleermuizen in algemeen staat nog in kinderschoenen. Elk jaar worden nieuwe inzichten vergaart en leert men van fouten uit het verleden. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2006 en mist daarmee cruciale nieuwe inzichten van de afgelopen jaren. Ondanks dat het onderzoeksrapport pas eind 2008 is gepresenteerd, heeft men geen gebruik gemaakt van nieuwe inzichten.

8.4. Om het onderzoek enigszins toetsingskader te geven, word gekeken naar “Het protocol voor vleermuisinventarisaties, 2 april 2009”. Dit protocol is opgesteld door de Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging VZZ en NGB. Het onderzoek houdt zich grotendeels aan het protocol. Zo word gekeken naar verschillende soorten, weeromstandigheden en literatuur. Het onderzoek slaat echter de plank mis bij de omvang. Bij een onderzoek moet men namelijk niet alleen kijken naar een paar meter rondom de locatie van windmolens maar ook ver daar omheen. Vleermuizen hoeven namelijk niet alleen te wonen op de locatie maar kunnen deze nog wel gebruiken als vliegroute, de dijk als oriëntatie, voedsel of migratiegebied. Bovendien vraagt elke soort een andere aanpak. Met een constatering van maar liefst acht soorten, zou dit moeten leiden tot totaal andere uitvoering.

8.5. Het onderzoek spreekt zelf al over een gestuwde trek. Dit houdt in dat vleermuizen uit de hele omgeving (Noordoostpolder, IJsselmeer, Friesland) de dijk gebruiken als een soortement snelweg. Vleermuizen hebben namelijk een ingebouwde radar waarmee landschappelijke lijnen gebruiken als oriëntatiepunt. Bij bosrijke gebieden kunnen dit bomen zijn maar in het vlakke landschap van de Noordoostpolder vormt de dijk dit oriëntatiepunt.

8.6. Het onderzoek heeft duidelijk gekeken naar vleermuizen die over deze “snelweg” hebben gevlogen. Maar hoe breed is deze snelweg eigenlijk? De dijk als oriëntatiepunt hoeft namelijk niet te betekenen dat dit direct leid tot vliegverkeer pal boven de dijk. Vleermuizen hebben een ruim radarbereik waarbij men ver naast de dijk over land of over water kunnen vliegen. Bovendien ligt dit eerder in de verwachting aangezien er nu ook al kleine windmolens op de dijk staan. Het lijkt dan ook haast lachverwekkend dat een van de luisterkistjes in een zendmast pal naast een windmolen is geplaatst.

 

Verkeerde uitgangspunten

8.7. Urk is pas onlangs in kennis gesteld met deze groteske plannen. Dit terwijl de plannen al ruim 10 jaar geleden werden gevormd. De afgelopen 10 jaren hebben de plannen wel elke andere vormen gekregen. Zo zijn de windmolens in grootte en aantal gegroeid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de het vleermuizen onderzoek vier jaar geleden sprak over mogelijke aanvaringen met de rotor op 50 meter hoogte. De hoogte is echter flink toegenomen en eerlijk gezegd nog steeds variabel door het onbekende 0-punt (maaiveld, dijklichaam, zeebodem, NAP, zomer of winterpeil).

8.8. De plaatsing van de windmolens is eveneens sterk in ontwikkeling geweest. Zo laat figuur 1 in het onderzoeksrapport de beoogde locaties uit 2002 zien. Dit is al een andere situatie dan de legenda uit de TU delft visualisatie analyse uit 2009. En beide plaatjes zijn weer verschillend van de uiteindelijke MER locatie. Het onderzoek had dus al direct een valse start door deze onjuiste gegevens.

8.9. Zo wordt er bijvoorbeeld ook niets gerept over de reeds bestaande windmolens.

Het onderzoek vermeldt ook een apart kopje aan binnen- en buitendijkse transecten, verlichting en wind. Bij alle drie onderwerpen was men niet in bezit van juiste gegevens om correcte informatie weer te geven. Bij de binnen- en buitendijkse transecten heeft men namelijk niet de juiste locaties of hoogten van de windmolens. Het onderzoek vermeldt zelf al dat metingen buitendijks  op water niet mogelijk waren. Dit terwijl het protocol voorschrijft om bij slechte weersomstandigheden terug te komen op mooi weer. Andere omgevingscondities kunnen namelijk leiden tot ander gebruik van het gebied. Dit is echter zowel binnendijks als buitendijks uitgebleven. Bij de gegevens die wel zijn onderzocht word wederom verwezen naar de beperking in omvang van het onderzoek c.q. transecten.

8.10. Inzake verkeerde gegevens spring het kopje verlichting eruit. Het onderzoek gaat uit van verlichting in de vorm van een rode lamp met een lage intensiteit. Navraag bij de presentatie van de MER in het provinciehuis bracht als snel naar voren dat men geen rekening heeft gehouden met de huidige eisen en toekomstige eisen van Verkeer & Waterstaat. Een normale kleine landwindmolen kan weliswaar voldoen met een rode lamp maar de windmolens van het huidige formaat en zelfs nog deels in het water kennen andere normen.  Het bureau Pondera gaf tijdens de presentatie aan dat niet word uitgesloten dat elke windmolen net als in Emden drie constant knipperende lichten verplicht is. Momenteel is de huidige regelgeving inzake veiligheid voor luchtvaart en scheepsvaart namelijk nog niet toegespitst op windmolens van deze omvang. Ervaringen uit het windmolenpark in de Noordzee schrijven wel direct een mistdetector, misthoorn, scheepvaartverlichting, tussenverlichting, luchtvaartverlichting en radar reflectie voor. Het is een veilige aanname dat het onderzoek een hele andere wending zou krijgen wanneer men van tevoren op de hoogte was van deze gegevens.

 

Interpretatie cijfers

8.11. Ondanks de beperkte omvang van het onderzoek zijn er maar liefst acht verschillende soorten vleermuizen waargenomen. De ene vleermuis komt vaker voor in het gebied dan de ander. Deze lezing van gegevens geven echter een verkapt beeld. Men moet namelijk ook bekijken hoe vaak die ene soort vleermuis landelijk of zelfs europees voorkomt. Vanuit dit oogpunt komt de tweekleurige vleermuis weliswaar schaars voor in het plangebied maar representeert het waargenomen aantal  wel 33 % van de landelijke populatie. De cijfers en de daarmee verbonden conclusies kunnen dus op verschillende wijze worden weergegeven.

 

Schadelijke effecten

8.12. Het onderzoek staat stil bij schadelijke effecten per soort. Ze kijken eerst naar hoe vaak het soort is waargenomen. Hierboven is al aangegeven dat het onderzoek te beperkt en op basis van verkeerde gegevens is uitgevoerd. Hierdoor is het onderzoek onjuist voor een goede conclusies op basis van aantallen. De tweekleurige vleermuis komt bijvoorbeeld weinig voor in het plangebied maar vertegenwoordigd wel 33% van de landelijke populatie. De rosse vleermuis is zeer vaak waargenomen maar net buiten de beperkte transecten. Het onderzoek is echter uitgevoerd eind september terwijl de kraamverblijf-, zomerverblijf-, foerageergebied en vliegroute van de rosse vleermuis (volgens protocol) alleen in de periode 15 mei tot  uiterlijk 15 september kan worden waargenomen. Een zeer beperkte conclusie op basis van soorten is wel mogelijk: alle soorten worden bedreigd door de windmolens.

8.13. Het onderzoek gaat uit van aanvaringsmogelijkheden met de windmolens. Hoewel bij vogels deze mogelijkheid zeer waarschijnlijk is, is deze bij vleermuizen beperkt. U vraagt zich misschien af hoe een windmolen dan schadelijk kan zijn voor de vleermuizen. Dit is onderzocht door de Universiteit van Calgary (Canada), gepubliceerd in het vakblad Current Biology. Zij hebben vastgelegd dat vleermuizen in grote aantallen bij windmolens overlijden door barotrauma. Dit houdt in dat de longen van de vleermuizen worden opgeblazen door de plotselinge drukverschillen die worden veroorzaakt door de wieken van de windmolens. Dit onderzoek vond plaats onder zeer lichtere omstandigheden dan het beoogde windmolenpark. Door de omvang van het windmolenpark zal het luchtdrukverschil een bundeling zijn waarmee een groot gebied direct dodelijk is voor alle soorten vleermuizen.

8.14. Vleermuizen die wellicht buiten deze dodelijke zone migreren, jagen, vliegen of verblijven zullen door de verlichting of verstoring van de echolokatie vanwege de verplichte radarreflectie worden aangetrokken tot een zekere dood. Het vleermuizenonderzoek in de MER stelt zelf al dat potentiële slachtoffers worden opgeruimd door aaseters. Deze aantallen zullen echter niet ongemerkt voorbij gaan.

8.15. Het onderzoek beperkte zich tot een bepaalde hoogte in bepaalde transecten. Hierdoor is onduidelijk hoeveel slachtoffers zullen vallen door de windmolens. Een luchtdrukverschil met een rotordiameter van 127 meter zal zich niet alleen beperken tot een hoogte van 48 meter tot 52 meter. Het onderzoek is daarnaast niet alleen onjuist op vertikaal gebied maar ook horizontaal gebied. Door de valse start vanwege verkeerde omvanggegevens en opstellingen, is het onderzoek zeer beperkt op transecten uitgevoerd. De dodelijke zone en daaraan liggende risicogebied trekt zich vele malen verder uit dan de transecten. Deze zone ligt over Urk en Lemmer die als enige bebouwing en bebossing in het gebied functioneren als verblijfplaatsen. De enige veilig getrokken conclusie is daarom dat er slachtoffers van alle soorten zullen vallen van ongekende omvang.

 

Wetgeving

8.16. Vleermuizen in het algemeen zijn beschermd. De ene soort kent meer bescherming dan de andere soort. Deze bescherming is verankerd in regionale, nationale en Europese en zelfs internationale wetgeving. Voor het plangebied moet worden getoetst aan de Habitatrichtlijn, Bern-conventie, Bats Agreement, Bonn-conventie en Flora- en Faunawet. Daarnaast kan men de “rode lijst” in acht nemen. Deze regelgeving is uitgebreid en stof voor lange juridische pleidooien.

8.17. In het kort betekend dit dat het verboden is om vaste rust- en verblijfplaatsen waarin zich kraamkolonies, paarverblijven, overwinteringsplaatsen en verblijven te beschadigen, vernielen, uit te halen, weg te nemen, vervoeren of te verstoren. Belangrijke migratie- en vliegroutes en foerageergebieden (voedselgebieden) die van belang zijn voor de instandhouding van een vaste rust- of verblijfplaats van de soort op populatieniveau, vallen hier ook onder.

8.18. Zelfs op basis van dit verkeerd uitgevoerde onderzoek is al duidelijk dat het windmolenpark dit verbod op verschillende punten zal overtreden. De dijk en het gebied daarom omheen is een belangrijke migratie- en vliegroute en zelfs voedselgebied. Onder bepaalde omstandigheden kan een ontheffing worden verleend. Op het gebied van de Flora en Faunawet kan dit slechts alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Als men alleen al naar de Tweekleurige vleermuis kijkt, zal één van de drie bekende verblijfplaatsen in Nederland ernstig worden verstoord. De populatie zal ongeveer 33% afnemen.

8.19. Vanuit nationaal belang zou men wellicht kunnen redeneren dat het voortbestaan van de mens het uitsterven van bepaalde soorten overtroeft. De plaatsing van de windmolens op dit gebied is echter louter en alleen ingegeven door economische beweegredenen. Andere locaties zouden eveneens geschikt kunnen zijn zonder deze ernstige impact op de vleermuizenpopulatie. Mogelijke ontheffing behoort daarmee niet tot de mogelijkheden.

8.20. Op gebied van nationale wetgeving is duidelijk dat het windmolenpark ongewenst is. Ontheffing is niet mogelijk waardoor men moet verder kijken naar andere locaties. Wanneer de tunnelvisie word voortgezet, behoort het Europese Hof tot de mogelijkheden. Het bovenstaande maakt het overbodig om verder uit te leggen dat de korte conclusie over wetgeving van het Altenburg & Wymenga onderzoeksrapport niet klopt.

8.21. In de zienswijze ingediend bij het MER alsmede het inpassingsplan is gewezen op deze voorschriften van de Habitatrichtlijn, de Bern-conventie, de Bats agreement, de Bonnconventie en de Flora- en Faunawet. De antwoordnota MER vat dit samen als de instandhoudingsdoelstellingen. Appellanten wijzen er vervolgens op dat de MER niet voldoet aan deze zogenaamde instandhoudingsdoeleinden door het beperkte onderzoek in afwijking van het voorgeschreven “protocol voor vleermuisinventarisaties, 2 april 2009” opgesteld door de Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging VZZ en NGB. De antwoordnota gaat hier niet op in en verwijst naar de “Passende beoordeling (bijlage 1, aanvulling MER)” dat significante negatieve effecten zijn uitgesloten. Dit kan niet worden gesteld zonder een zorgvuldig onderzoek. Een belofte om achteraf te controleren heeft geen enkele inhoud wanneer er niet vooraf een zogenaamde nulsituatie is vastgesteld. Inspreker wijst er eveneens op dat de rust, verblijf, migratie maar ook mitigatie en kraamverblijven zijn beschermd. Initiatiefnemers hebben deze punten niet of slecht onderzocht. Het MER gaat namelijk uit van geen verblijfplaatsen in het plangebied vanwege het gebrek aan bebouwing in het plangebied. De aanliggende boerderijen op slechts 300 meter afstand zijn echter geliefde verblijf en kraamplaatsen voor de vleermuizen. Het nabij gelegen dorp Urk functioneert bovendien als herberg voor de derde nestelplaats in Nederland voor de Tweekleurige vleermuis. Dit gegeven is niet betrokken bij het onderzoek noch zijn nestelplaatsen in de nabij gelegen bebouwing onderzocht.

 

MER conclusie

8.22. Het onderzoek van Altenburg & Wymenga vormt de basis van de MER inzake vleermuizen. Hierboven is uitgebreid beschreven dat de onderzoekers wellicht naar beste weten en kunnen hebben gewerkt maar op basis van verouderde kennis en verkeerde gegevens. Het rapport is daarom niet correct en daarmee is ook de conclusie in de MER niet juist.

8.23. Het is overigens wel opmerkelijk dat de MER spreekt over een tweede onderzoek langs de Friese kust waarbij vele meervleermuizen zijn waargenomen. Gelet op het bovenstaande is duidelijk geworden dat het milieu effect rapportage inzake vleermuizen zeer beperkt is uitgevoerd nu blijkt dat de effecten van de windmolens verder gaan dan een paar meter van de mast. Hoewel een tweede rapportage over het aanreikend gebied van de transecten maar binnen de gevarenzone zou moet worden opgenomen in de MER.

 

Passende beoordeling

8.24. Onder 3.1.2 van de Passende beoordeling wordt een beschrijving gegeven van de meervleermuis. Ze verwijzen daarbij naar het onderzoek van Altenburg & Wymenga. Zoals al is opgemerkt, is dit onderzoek te beperkt en onjuist uitgevoerd en zeker op het vlak van de meervleermuis. Een onderzoek naar de meervleermuis dient namelijk zich te spitsen op de volgende onderwerpen: winterverblijfplaats, kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf- en zwermplaats, vliegroute en foerageergebied. Het onderzoek heeft zich alleen afgespeeld op enkele dagen in september. Dit terwijl de vliegroute volgens het protocol voor vleermuisinventarisaties, 2 april 2009 tijdens 1 april tot 15 augustus zich afspeelt. Het foerageergebied kan worden geconstateerd met veldbezoeken van 2 x 2 uur, waarvan eventueel 1 ochtend en 1 x in de kraamperiode tenminste 30 dagen tijdverlenge detector & sonogram alsmede met een camera bij handwaarneming in de periode van 1 april tot 15 augustus. Het desbetreffende onderzoek van Altenburg & Wymenga heeft zich niet gehouden aan de voorschriften van het uitvoeren van het onderzoek noch aan de voorgeschreven periode. De stelling dat de meervleermuis “zeer schaars” is, is daarmee totale onzin. De stelling dat er bebouwing is in het plangebied en dus geen kraamkolonie in de nabijheid van het projectgebied is ook totale onzin. Net zoals de kraamkolonie van de Tweekleurige vleermuis op Urk, kan er namelijk ook een kraamkolonie van de meervleermuis in de nabijgelegen bebouwing zijn. Die is dus net als de kraamkolonie van de Tweekleurige vleermuis op Urk niet meegenomen in het rapport.

 

8.25. De meeste vliegbewegingen vinden weliswaar plaats tijdens de migitatie maar door de meting in september uit te voeren, is geen correct beeld gekregen van o.a. de meervleermuis. De verschillende soorten hebben namelijk verschillende periodes voor foerageren en mitigatie.

 

Verlichting

8.26. De antwoordnota MER onder 24K wordt verwezen naar het antwoord onder 7a. Daar wordt niet inhoudelijk ingegaan op de verwachtte verlichting. Er wordt alleen een vermelding gemaakt dat “eventuele” verlichting worden afgeschermd aan de onderzijde om uitstraling naar beneden te voorkomen. Men geeft dus nog steeds niet aan wat de omvang van de verlichting zal zijn. De verlichting zoals de antwoordnota beschrijft, komt met een soortement bak rondom de volledige mast en schijnt naar boven. De mast zal vanaf dat punt dus constant verlicht zijn en nachts zichtbaar zijn. De wieken die langs de lichtstraal gaan worden ook elke keer verlicht wat nacht voor een onrustig beeld zorgt. Als voorbeeld verwijs ik naar de windmolens langs de A27 tussen Almere en Hilversum. Zij zijn veel kleiner in omvang dan de beoogde reuzen maar vormen met hun geringe omvang nu al lichtvervuiling.

8.27. De plaatsing van de lichtbak kan van veel invloed zijn op de vleermuizen en ander levend habitat. Een lichtbak op een hoogte van een meter is bijvoorbeeld van enorme impact op meervleermuis die op een hoogte van vijf meter vliegt. Een lichtbak op een hoogte van 10 meter is weer van invloed op andere soorten vleermuizen. Een lichtbank hoger dan 50 meter is weer van grotere verstoring van het landschap in de avonden en nachten. De plaatsing van de lichtbak is in ieder geval een belangrijk item om te onderzoeken in de MER. Hier is onvoldoende onderzoek naar gedaan. Pas in de laatste fase tijdens het inpassingsplan heeft men getracht duidelijkheid te verstrekken over de lichtbak danwel verlichting.

8.28. Hiernaast is er nog steeds geen duidelijkheid over de plaatsing van de mistdetector, scheepvaartverlichting, tussenverlichting, luchtvaart-verlichting en radar reflector. Dit terwijl het vleermuisonderzoek er nu alleen maar vanuit gaat dat er een rode lamp bovenop de mast wordt geplaatst. Het vleermuisonderzoek is met onjuiste uitgangspunten uitgevoerd want men heeft volledig geen rekening gehouden met de verlichting op de mast.

 

Overig

8.29. Zoals aangegeven dient er een zogenaamde nulsituatie worden vastgesteld door een omschrijving van de huidige situatie. Deze beschrijving heeft niet/beperkt plaatsgevonden. Daarnaast ontbreekt de MER aan vele onderwerpen die door inspreker zijn opgesomd. Het antwoord hierop is dat deze onderwerpen niet relevant zijn. Deze relevantie dient te worden getoetst voordat kan worden bepaald dat ze niet relevant zijn. Derhalve zie ik graag dat de MER alle onderwerpen betrekt en meeneemt in de zogenaamde nulsituatie voordat kan worden beoordeeld dat ze niet relevant zijn. Gelet op de afwezigheid van een vergelijkbaar project van zulk omvang in zo’n bijzondere omgeving, zijn de gevolgen en relevantie van bepaalde onderwerpen nog niet te overzien.

8.30. De Antwoordnota durft vervolgens te stellen dat het onderzoek naar vleermuizen “zorgvuldig is uitgevoerd en hierbij conform de stand der techniek is gewerkt”. Kan men ondubbelzinnig uitleggen wat men bedoeld met “conform de stand der techniek”? Wil men daarmee zeggen dat ze met de kennis van toentertijd dit gebrekkige rapport heeft opgesteld. Het moge duidelijk zijn dat dit geen reden hoeft te zijn om tijdens een proces nieuwe ontwikkelingen, richtlijnen en inzichten te negeren. Zeker gelet op het feit dat insprekers nog voor de definitieve MER de initiatiefnemers heeft gewezen op het gebrekkige rapport in afwijking van voorgeschreven protocollen.

8.31. Er wordt gesteld dat VZZ in samenwerking met Altenburg & Wymenga het onderzoek heeft uitgevoerd. Dit terwijl verder in de MER en de RIP altijd gesproken is en wordt over een onderzoek uitgevoerd door Altenburg & Wymenga in samenwerking de VZZ. Een benoeming van de VZZ als “expertisehouder in Nederland” geeft natuurlijk geen carte blance om niet meer kritisch te hoeven na te denken. Vervolgens wordt gesteld dat de gehanteerde methodiek aansluit bij het “protocol vleermuisinventarisaties”. Dit is wederom een onjuistheid. Als voorbeeld hiervan verwijs ik naar het protocol inzake de Tweekleurige vleermuizen.

8.32. Het protocol schrijft bij de Tweekleurige vleermuis voor dat de kraamverblijfplaats te constateren is in de periode 1 juni tot 15 juli met een waarneming van twee keer 4 uren met tenminste twintig dagen tussen deze bezoeken. De voorgeschreven werkwijze bij determinatie zijn tijdverlengen of frequentiedelen detector & sonogram. camera & handwaarneming vondst, zichtwaarneming. De onderzoeksdagen van Altenburg & Wymenga heeft zich buiten deze periode afgespeeld namelijk in september. De onderzoeksmethode sluit ook niet aan bij de voorgeschreven determinatie methodes.

8.33. Het protocol schrijft bij de Tweekleurige vleermuis voor dat de paarverblijf- & zwermplaats te constateren is in de periode tussen 1 oktober en 15 november met een waarneming van twee keer 3 uren met tenminste twintig dagen tussen deze bezoeken. De voorgeschreven werkwijze bij determinatie is een detector met een uniek sociale roep. De onderzoeksdagen van Altenburg & Wymenga heeft zich buiten deze periode afgespeeld namelijk in september. De onderzoeksmethode sluit ook niet aan bij de voorgeschreven determinatie methode.

8.34. Het is daarbij ook van de zotten dat men tijdens een onderzoeksdag het waarnemingsdoosje heeft vastgebonden aan een zendmast naast een bestaande windmolen. Zowel het Calgary onderzoek als de eigen bevindingen van Altenburg & Wymenga bevestigen dat de vleermuizen uit de buurt van de windmolens blijven of door het barotrauma sterven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men toen heel weinig heeft waargenomen.

8.35. In de antwoordnota van het MER onder nummer 24n wordt gesuggereert dat het rapport wel rekening heeft gehouden met mogelijk barotrauma. Daarbij stellen ze dat er geen aanleiding is gevonden om te veronderstellen dat dit optreedt in een groot gebied om de windturbines heen. Ze gaan daarbij niet in op de verwachte aantallen slachtoffers. Ze gaan daarbij ook niet in op het risico op barotrauma in het gebied van de windmolens. Ze stellen alleen maar dat er geen sprake is van een “groot” gebied rondom de windmolens. Ze spreken daarbij niet tegen dat er een gebied rondom de windmolens aanwezig kan zijn met barotrauma risico. Dit onderdeel is duidelijk niet onderzocht en zelfs geen enkele keer genoemd.

8.36. In de antwoordnota van het MER onder nummer 24o wordt gestelt dat er geen radarreflectoren worden geplaatst op de windturbines maar alleen scheepvaartveiligheidsvoorzieningen . In dezelfde antwoordnota werd onder 24k. de vraag behandeld over de aanwezigheid van een mistdetector, misthoorn, scheepvaartverlichting, tussenverlichting, luchtvaartverlichting en radarreflectie. Toen werd er nog beantwoord dat er geen misthoorn wordt geplaatst. En onder antwoordnummer 7a. spreekt men nog in vage begrippen als “eventuele verlichting” met puntbronnen. De onderlinge tegenspraak in de antwoordnota toont weer de onduidelijkheid aan over de komst, omvang en plaatsing van de verlichting aan. Zie hiervoor ook het antwoord onder nummer 24z. Daarbij spreekt men over enkele puntbronnen van rode verlichting. Zoals hierboven is aangetoond en voortvloeit uit de regelgeving rondom nautische en luchtvaartverlichting, kan de verlichting helaas niet voldoen met enkele puntbronnen van rode verlichting. Derhalve dient men eerst duidelijk in kaart brengen wat de omvang van de verlichting zal zijn om vervolgens de effecten op het milieu te onderzoeken.

8.37. Inzake de nr. 50K. van de antwoordnota MER willen wij erop wijzen dat het rapport Altenburg & Wymenga zelf al aangeeft dat slachtoffers van de windmolens moeilijk zijn te traceren doordat ze snel worden opgeruimd door aaseters. Een monitoring in de toekomst naar de slachtoffers is daarom een wassen neus. Een opmerking dat de uitspraak is gedaan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis op dit moment, snijdt geen hout. Deze zelfde antwoordnota stelt dat men zich niet aan het protocol heeft gehouden omdat toentertijd die kennis niet voorhanden was. Men kan dus wel een uitspraak doen op basis van de best beschikbare wetenschap op DAT moment maar niet op DIT moment. Dit neemt overigens niet weg dat men nieuwe inzichten (tijdens dit proces) moet meenemen in de procesvorming.

 

Slot

8.38. Ondanks dat het onderzoek zeer beperkt op basis van verkeerde gegevens is uitgevoerd, bevat het voldoende handvaten om te concluderen dat de windmolens een onredig grote inbreuk op de vleermuispopulatie zal hebben. Vanwege luchtdrukverschillend zal een dodelijke zone worden gecreëerd rondom de windmolens. Alle vleermuizen in deze zone zullen imploderen.

8.39. Doordat de dijk als enig referentiepunt in het landschap van zowel water als land word gebruikt, zal de gestuwde trek worden aangetast. Eveneens zullen bestaande populaties op Urk en in Lemmer in aantallen afnemen doordat zij niet buiten hun verblijfplaats kunnen vliegen voor paren, migreren of voedsel. Met name vleermuizen op Urk zullen worden ingesloten door het ijzeren gordijn met de luchtdrukverschillen.

8.40. Zeldzame vleermuizen zoals de tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis en meervleermuis zullen direct onderhavig worden aan de gevolgen. De beschermde status van deze vleermuizen wordt gepasseerd door het beperkte onderzoek. Hoewel dit onderzoek een tweede onderzoek adviseert tijdens de bouw is dit nimmer de strekking geweest van een MER. Een MER moet namelijk voorafgaand aan grote bouwprojecten de milieu effecten in kaart brengen. Nu blijkt dat de luchtdrukverschillen sowieso aanwezig zullen zijn, zal een tweede onderzoek alleen de omvang kunnen bevestigen maar niet de schadelijke gevolgen kunnen ontkennen of beperken.

8.41. Tot slot is het een “kort-door-de-bocht” genomen conclusie dat er geen verblijfplaatsen zijn, dus geen vleermuizen en dus geen ontheffing nodig is. Dit bevoegd geen verdere uitleg gelet op het reeds geschrevene. De MER laat duidelijk zien dat deze locatie een grote impact zal hebben alleen al op de vleermuizenstand. Wanneer men zonder oogkleppen en onbevangen de MER leest, zal men niet anders kunnen concluderen dat men het windmolenpark op een onjuiste locatie wil plaatsen.

 

9. Economie

9.1. Volgens het MER is het plan gunstig voor de economie, gelet op vereist onderhoud van het park en mogelijke participatie de bevolking. Echter, effecten zijn echter bekeken voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente Urk is volledig buiten beschouwing gehouden terwijl zij de dichtstbijzijnde bevolking bij het windmolenpark vormen. De negatieve economische effecten worden in het geheel niet genoemd, zoals negatieve gevolgen voor watertoerisme en visserij. Slechts wordt gesteld dat daarop naar verwachting geen negatief effect is. Elke onderbouwing in dit verband ontbreekt.

9.2. In de Toets milieu- en waardenaspecten worden de economische voorzieningen van het IJsselmeergebied inclusief toerisme, binnenvaart, watertoerisme en visserij niet genoemd. Deze sectoren zullen door de komst van het windpark mogelijk grote schade oplopen. Dit dient beter onderzocht te worden.

 

Beroepsvaart en visserij

9.3. Voor de Urker gemeenschap is de vraag wat een park vlak langs de vaargeul betekent voor de verdere ontwikkelingsmogelijkheden van de binnenvaart, die op Urk de laatste decennia een belangrijke bedrijfstak is geworden.De Ijsselmeervissers mogen na de bouw tussen de windmolens en de dijk mogen varen maar uit niets blijkt of zij tijdens de lange bouwtijd in dit gebied mogen vissen. Dat het MER in het Algemeen Deel onder paragraaf 12.2.8 (leemten in kennis) stelt dat geen cijfers over visvangsten op locaties beschikbaar zij, kan geen argument zijn. Dan moet men beter onderzoek doen, bijvoorbeeld door de IJsselmeervissers te enquêteren.

9.4. Tijdens de bouw zal in de gehele omgeving de vis in het meest gunstige geval worden verjaagd. In het meest ongunstige geval zal een dodelijke zone rondom de werkzaamheden worden gecreëerd. Een Amerikaans onderzoek uit 2001 heeft namelijk aangetoond dat vissen in een ruime straal rondom de bouwwerkzaamheden sterven als gevolg van de trillingen en geluid. Soortgelijk onderzoek is op de Noordzee uitgevoerd, bij de bouw van windparken op zee. Goed onderzoek is nodig, ook om Ijsselmeervissers in de toekomst zo nodig een redelijke schadevergoeding aan te kunnen bieden.

 

Toerisme en waterrecreatie

9.5. In het MER wordt gesteld dat er geen gevallen bekend zijn dat waarbij de ontwikkeling van een windpark leidt tot de afname van het aantal toeristen. In veel gevallen zou zelfs sprake zijn van een toename. De aannames worden echter onvoldoende onderbouwd. Tevens wordt niet vermeld dat het windpark naar verwachting met name een ander soort toerisme zal stimuleren. Toeristen die momenteel naar Urk komen voelen zich met name aangetrokken tot Urks historie, het beschermde dorpsgezicht en haar erfgoed. Wanneer Urk in de toekomst omheind wordt door ‘windfabrieken’ dan zal deze bestemming minder aantrekkingskracht hebben op deze ‘nostalgische toerist’.Men mag dan ook aannemen dat de Urker toeristenindustrie verliezen zal leiden terwijl de toeristenindustrie in de Noordoostpolder (ondermeer geexploiteerd door de initiatiefnemers van het windpark) zal groeien door de aantrekking van een ander soort bezoekers.

9.6. Wat betreft de mogelijke toename van toeristen is het niet duidelijk op basis van welke rapporten deze aannames worden gedaan en evenmin of deze rapporten toepasbaar zijn op de situatie bij Windpark Noordoostpolder.  De voorbeelden die in het MER worden aangehaald, namelijk het windpark bij de Deense stad Nysted en het Deense offshorepark HornsREV, zijn geplaatst op een afstand van respectievelijk 10 kilometer van Nysted en 15 kilometer van de Deense kust. Voor ons is duidelijk dat geen gevallen bekend zijn waarbij een windpark met de omvang van Windpark Noordoostpolder zo dicht bij een historisch dorp is geplaatst.

9.7. De provincie Flevoland gaf in 2006 in haar omgevingsplan aan bezorgd te zijn over de economische ontwikkelingen in Urk; ontwikkeling van de toeristische sector wordt als prioriteit beschouwd.  Ook in de structuurvisie van de gemeente Urk is te lezen dat Urk een sterk recreatief-toeristisch potentieel bevat dat verder uitgebreid moet worden. Nu al is echter duidelijk dat het windturbinepark de horizon sterk zal vervuilen terwijl ook geluidsoverlast te vrezen valt. Doordat aan beide zijden van Urk windmolens zullen worden neergezet zal Urk als aanlegplaats voor watersportrecreatie zijn aantrekkelijkheid verliezen.

9.8. De overtuiging dat het windmolenpark schadelijk is voor de toeristische en recreatieve waarde van een gebied wordt overigens kennelijk gedeeld door de gemeente Noordoostpolder. Deze maakte in 2006 namelijk zelf bezwaar tegen de bouw van windmolens in de gemeente Steenwijkerland, omdat dit de toeristische waarde van de Noordoostpolder zou bedreigen. Volgens de antwoordnota wordt onderzoek gedaan naar ‘het mogelijke nadeel’ en een compensatieregeling worden vastgesteld. Voorzover bij ons bekend heeft de gemeente Urk en de lokale industrie tot nu toe van geen enkele instantie formeel wat voor vorm van compensatie dan ook toegezegd gekregen. Gezien de grote belangen die op het spel staan concluderen wij dat er slordig wordt omgesprongen met de economische belangen van Urk.

 

Beperking uitbreidingsmogelijkheden Urk

9.9. Het MER heeft het gebied rondom de windmolens bekeken en beoordeeld dat het windmolenpark het gebied maximaal kan benutten. Dit gebied betreft ook de gemeente Urk. De Urker gemeente wordt daardoor beperkt in haar mogelijkheden om het eigen grondgebied te benutten. Voor een van de snelst groeiende gemeenten in Nederland, zal dit al op zeer korte termijn problematisch worden. Doordat er lichtvervuiling, schaduwtrekking en geluidscirkels rondom het windmolenpark komen wordt uitbreiding ten noorden én ten zuiden van de dorpskern uitgesloten. Opnieuw geldt dat dit aspect onvoldoende aandacht heeft ontvangen.

9.10. Een direct gevolg van deze beperking is de bouw van een mogelijke buitendijkse haven en verder uitbreiding met woningen richting Lemmer. Dit terwijl de gemeente Urk de snelst groeiende gemeente binnen Nederland is met een bevolking van 50% onder de 26 jaren.

 

Waardedaling huizen

9.11. De afgelopen jaren heeft de Raad van State in een relatief korte periode planken vol met jurisprudentie gecreëerd over de vermindering van huizenprijzen na komst van windmolens. Deze daling kan zelfs tot 50% zijn. In Urk, met ruim 18.000 inwoners verdeeld over 5000 huishoudens, zou dit rampzalige gevolgen kunnen hebben. Urk zou verder geïsoleerd worden met geen mogelijkheid tot interactie met de naburige gemeente waar de daling in huizenprijzen niet optreedt. Afgezien van het feit dat ons woongenot wordt verstoord, zijn wij ook bang dat de waarde van onze woningen aanzienlijk zal dalen. Een van de charmes van een woning in het oude dorp is dat het zo dicht bij het IJsselmeer staat. Als het uitzicht wordt verpest, zal de waarde van de woning dientengevolge dalen.

 

Werkgelegenheid

9.12. In het MER wordt economie direct gekoppeld aan werkgelegenheid. Het is onduidelijk hoe het windmolenpark een significant goede invloed kan hebben op de werkgelegenheid in de buurt. Daarbij is het opmerkelijk dat het MER spreekt over inwoners van de Noordoostpolder als omwonenden terwijl Urk beduidend dichter bij de windmolens ligt dan de meeste dorpen van de Noordoostpolder. Het MER heeft derhalve een te beperkt begrip van omwonenden gehanteerd.

9.13. Wanneer de Urker bevolking wel zou worden gerekend tot omwonenden blijft de invloed op de werkgelegenheid nog steeds onduidelijk. De windmolens komen namelijk in eigendom van verschillende partijen. Deze partijen zijn voornamelijk (inter)nationale bedrijven die het werk naar eigen inzicht kunnen gunnen. De kansen voor een Urker bouwbedrijf voor zo’n opdracht zijn nagenoeg nihil.

9.14. Vervolgens stelt het MER dat er na de bouw ook nog sprake zal zijn van nieuwe werkgelegenheid. Een eerste indicatie van de fabrikant geeft echter een additionele werkgelegenheid van vijf personen per jaar aan. Wanneer dit aantal wordt afgezet tegen het verlies aan banen in visserij en toerisme kan absoluut niet gesproken worden over een toenemende werkgelegenheid.

 

 

10. Lichtvervuiling

10.1. Het IJsselmeer is het donkere hart van Nederland. Nergens vindt men in Nederland zo’n groots, open, donker en stil landschap, zonder storende elementen. Als het windmolenpark af is, worden ’s nachts de knipperende lichten op de toppen het meest in het oog vallende element, te zien op 50 km afstand, oftewel rondom het IJsselmeer.

10.2. Verschillende waarnemingen en anekdotisch bewijs suggereren dat licht een belangrijke verstoringsbron kan zijn langs bestaande vliegroutes. Verlichting die wordt geplaatst nabij vliegroutes kan de connectiviteit van een netwerk aantasten. Deze verstorende effecten traden al op bij lage waarden van lichtintensiteit die slechts iets boven natuurlijke waarden van lichtintensiteit ’s nachts lagen. Dit suggereert dat meervleermuizen erg gevoelig zijn voor verhoogde waarden van lichtintensiteit

10.3. Volgens het plan treedt er geen schade op voor fauna omdat er sprake is van ‘een beperkt aantal lichten waarbij uitgegaan wordt van een rode lamp met een lage intensiteit’. Afgezien of dit in de werkelijkheid ook zo is suggereren waarnemingen en internationaal onderzoek dat dergelijke lichten wel degelijk schadelijk kunnen zijn voor vleermuizen en nachtdieren. Desondanks noemt de MER geen gegevens over de mate van lichtvervuiling die het windpark zal opleveren. De invloed van de knipperlichten op de toppen van de 86 windturbines wordt in het ontwerpinpassingsplan kort behandeld in 6.10 onder het kopje ‘Licht’. Volgens de informatie worden de lichten op de gondel bovenop een schotel geplaatst, zodat geen licht naar beneden schijnt. De ontwerpers houden echter geen rekening met het feit dat omwonenden niet onder de turbines wonen, maar op zekere afstand en dus wel degelijk hinder van deze knipperlichten zullen ondervinden.

10.4. Verder wordt inzake het aspect verlichting uitsluitend gekeken naar mogelijke effecten van de verlichting op de windturbines. De mogelijk negatieve gevolgen voor de scheepvaart van onderbreking van de lichtbundel van de Urker vuurtoren door de molenmasten en hun wieken (vergelijkbaar met slagschaduw) worden niet of onvoldoende geargumenteerd meegenomen in de overweging.

10.5. Een ander belangrijk punt met betrekking tot de verlichting zijn de visualisaties. Deze visualisaties geven geen beeld van de zichtbaarheid van het park tijdens avond en nacht. Juist door de impact van de verlichting in een wijds en donker gebied zoals bij het Ijsselmeer, zijn nachtelijke visualisaties belangrijk. Verlichting in een donker gebied reikt namelijk vele malen verder dan het zicht op de windturbines overdag.

procesvorming.

 

11. Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.1. Het Rijksinpassingsplan maakt geen melding van de beleving van een windpark van dergelijk formaat dop omwonenden, noch van het maatschappelijke draagvlak onder inwoners van de gemeente Urk. Wel spreekt het plan in hoofdstuk 9 over Maatschappelijke Uitvoerbaarheid (overleg en communicatie). Hierin wordt gezegd dat er met ‘het belang van Urk’ rekening is gehouden en dat ‘uitvoerige informatievoorziening’ heeft plaatsgevonden. De antwoordnota herhaalt dit als op pagina 23 wordt gezegd dat ‘de wettelijk voorgeschreven informatievoorziening en inspraakmomenten’ van toepassing zijn. Appelanten zijn van mening dat de Urker bevolking te laat en onvoldoende is voorgelicht.

11.2. De antwoordnota vermeldt dat in het kader van de m.e.r in 2004 van de plannen kennis is gegeven in ‘het plaatselijke huis-aan-huis blad ‘De Noordoostpolder’. Allereerst is de keuze van dit huis-aan-huis-blad onjuist als men Urker omwonenden wil bereiken omdat –zoals de naam al zegt- deze krant zich met name op De Noordoostpolder richt. De plannen zijn niet aangekondigd in Urks lokale krant, Het Urkerland, welke wel door de meerderheid van de inwoners wordt gelezen. Ten tweede schiep het bericht van 2004 onduidelijkheid omdat de genoemde m.e.r. in de prullenbak is verdwenen. Bovendien werd in deze eerste ontwerp m.e.r. het vermogen en de hoogte van de turbines niet aangegeven. Zowel de gemeente Urk als de inwoners van Urk wisten in deze fase dus niet wat de omvang van het windpark zou worden.

11.3. In 2007 verscheen volgens een ontwerp m.e.r. maar ook deze was al weer snel achterhaald. De huidige m.e.r. zegt hierover:

“Gezien de ecologische effecten die destijds zijn gevonden hebben de initiatiefnemers besloten de aanbevelingen om de ecologische effecten te verminderen direct  over te nemen en het voornemen aan te passen. De onderlinge afstand tussen de  lijnopstellingen is vergroot en de afstand tot de dijk is ook vergroot. Door deze maatregel  worden minder vogels verstoord en hebben de windmolens op land minder effect op de dijk.  Het doorvoeren van deze wijzigingen in het voornemen leidt echter ook voor wat betreft  andere milieuaspecten tot andere effecten dan in het geval van de opstelling zoals in eerste aanleg voorgenomen was. Het concept MER is daarom volledig geactualiseerd om de  effecten van het aangepaste voornemen te beschrijven. Daar komt nog bij dat er een nieuwe  generatie turbines is ontwikkeld die inmiddels (2009) ook al in productie is. Het betreft turbines  met een nominaal vermogen van 6 megawatt. Besloten is om de reikwijdte van het MER te verbreden om het MER ook van toepassing te maken op deze turbines.” – m.e.r algemeen deel, pagina 7

11.4. Dit betekent dat alleen bij het verschijnen van de huidige m.e.r. op 1 oktober 2009 de plannen volledig uitgekristalliseerd waren en er niet langer sprake was van opschaling. Dit blijkt ook uit  berichtgeving in de landelijke media in mei 2008 , waarin gesproken werd over ‘Nederlands grootste windmolenpark in de Noordoostpolder’ met turbines van ‘5 MW’. In mei 2008 werd dus nog altijd gedacht aan 5 MW turbines terwijl de definitieve m.e.r. over ‘5-8 megawattklasse’ spreekt. Nog zijn de Urkers boos omdat ze in zo’n laat stadium via de landelijke media te horen kregen hoe hoog de turbines wel niet zouden worden en dat het vermogen nog verder ‘opgekrikt’ is.

11.5. Volgens de antwoordnota is ook aan publieke voorlichting gedaan doordat Koepel Windenergie Noordoostpolder vanaf augustus 2009 met een informatiekaravaan de gemeenten Noordoostpolder, Lemsterland en Urk heeft bezocht. Deze tentoonstelling werd in Urk nauwelijks bezocht. Vanwege het gebrek aan informatie in de periode 2004-2009 was het vertrouwen van de Urker bevolking in de initiatiefnemers beschadigd en werd de Koepel Windenergie Noordoostpolder niet langer als een betrouwbare informatiebron beschouwd.

11.6. De antwoordnota meldt dat ook voorlichting plaatsvond via de websites www.windparknoordoostpolder.nl en www.windkoepelnop.nl. De eerstgenoemde site is pas in 2010 gelanceerd.  De laatstgenoemde site is sinds 2007 operationeel maar vertrekte tot voor kort –ondermeer gezien de voortdurende opschaling- slechts beperkte informatie. Voorlichting via websites, een essentiele informatiebron voor omwonenden, heeft dus onvoldoende gefunctioneerd.

11.7. Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de informatievoorziening, inspraak, overleg en communicatie rondom Windpark Noordoostpolder richting omwonenden, met name die uit Urk, onvoldoende is geweest. De Urker omwonenden wisten niet wat voor windpark er gebouwd zou worden omdat de plannen sinds 2004 voortdurend opgeschaald zijn. Vanaf het moment dat wij wél wisten hoe groot en hoog de geplande turbines zouden worden was het te laat voor effectief overleg en inspraak.

11.8. Wij achten een onafhankelijk onderzoek naar de maatschappelijke uitvoerbaarheid, inclusief de mate van lokaal draagvlak, van groot belang. Windmolens, met name turbines hoger dan 100 meter, kunnen als industriële bouwwerken worden beschouwd. De turbines die gepland zijn voor Windpark Noordoostpolder worden met een tiphoogte van bijna 200 meter de hoogste bouwwerken van Nederland. De turbines zullen het landschap aan de oostkant van het IJsselmeer onherkenbaar veranderen. Ze zullen het vlakke landschap geheel domineren waardoor de relatie van omwonenden met het polderlandschap en het water ingrijpend zal veranderen. Een dergelijk ingrijpend project moet middels zorgvuldig overleg en communicatie tot stand komen.

11.9. Het MER van Windpark Noordoostpolder maakt geen melding van de beleving van een windpark van dergelijk formaat door omwonenden, noch van het maatschappelijk draagvlak onder inwoners van de gemeente Urk. Dit beschouwen wij als een ernstige omissie. Wij achten  een onafhankelijk onderzoek naar het draagvlak onder en de invloed van Windpark Noordoostpolder op de psyche en beleving van de Urker bevolking van groot belang.

11.10. De Urker bevolking heeft traditioneel gezien een sterke relatie met het water.  Het weidse zicht op het IJsselmeer, welke door verreweg de meerderheid van de Urkers als uitermate belangrijk wordt beschouwd, zal tot het verleden behoren. Verwacht mag worden dat de Urkers de turbines aan weerszijden van het dorp als een ernstige verstoring van woon- en leefgenot zullen beschouwen.

11.11. Het weinige onderzoek dat naar beleving van windmolens is gedaan wijst erop te veel windmolens in een gebied kan leiden tot een nivellering van de waarde van het landschap, aldus landschapsarchitecte Lon Schöne in een essay over de problematiek van de windmolens (zie http://www.boomblad.nl/index.php?idr=182). Volgens Schöne is is het nodig te onderzoeken of en wanneer er bij het publiek verzadiging optreedt als er veel windmolens in het landschap worden geplaatst. Nivellering van het landschap kan optreden als mensen overal windmolens zien.

11.12. Flevoland is met 432 windmolens nu al de provincie met het hoogste aantal windmolens in Nederland en lever t eenderde van alle opgewekte windenergie. Inwoners van Urk en Noordoostpolder kijken uit op talloze windmolens. In de jaren 80 werd vlakbij Urk het toenmalig grootste windpark van Nederland gebouwd.  Geen enkele Urker protesteerde; de relatief kleine windmolens werden niet als storend beschouwd. De inwoners van Urk hebben dus zeker geen NIMBY (Not In My Backyard) mentaliteit. Zij hebben echter zeer veel moeite met het grote aantal nieuwe generatie windturbines die door Windpark Noordoostpolder op locaties aan weerszijden van Urk zijn gepland.

11.13. er nauwelijks studies zijn gedaan naar de ruimtelijke effecten en beleving van de nieuwe generatie windturbines achten wij het essentieel dat er aanvullende studies worden uitgevoerd waarbij behalve psychologische gevolgen voor omwonenden ook aspecten als esthetische beleving, cumulatie, interferentie, opstelling, onrust en zichtbaarheid worden opgenomen. Wij tekenen hierbij aan dat in Nederland geen ervaring is met de type windturbines die in de Noordoostpolder gepland zijn en dat kennis over mogelijkheden om visuele effecten  te  bewerkstellen in de kinderschoenen staat. Ook achten wij draagvlakonderzoek van essentieel belang, met name omdat het om Nederlands grootste geplande windpark gaat. Als onderzoek uitwijst dat de beleving van grote aantallen nieuwe generatie windturbines in het landschap negatief is en het draagvlak beperkt is, dan achten wij het verstandig dat beleidsmakers het beleid aanpassen om grootschalige maatschappelijke onrust te voorkomen.

 

 

 

12. Infrastructurele voorzieningen

12.1. Onder paragraaf 2.2.1. tracht men meer duidelijkheid te verschaffen over de fundamenten. Er wordt echter een slag om de arm gehouden met de vermelding dat de grootte indicatief is afhankelijk van de uiteindelijke turbinekeuze. In deze fase waar vergunningen worden verleend en een MER is opgesteld op basis van verstrekte gegevens, mag men niet meer praten over indicatieve afmetingen. Deze afmetingen vormen namelijk (bijna letterlijk) de fundatie voor bijvoorbeeld de berekeningen inzake de dijkstabiliteit.

12.2. Onder paragraaf 2.4 worden vijf zinnen besteedt aan een van het meest ondergesneeuwde onderwerp namelijk de civiele voorzieningen. Deze vijf zinnen zijn bij lange na niet voldoende om de omvang te beschrijven of überhaupt te bevatten. Per turbine moet namelijk een opstelplaats worden gemaakt voor de bouwkraan. Volgens de jurisprudentie en wetgeving zoals de Wro is er na vijf jaren geen sprake meer van een tijdelijke opstelplaats. Gelet op de bouwtermijn van zeven jaren, zullen de bouwkranen dus worden beschouwd als een definitief bouwwerk. De effecten van de plaatsing van deze bouwkranen in de nabijheid van de dijken worden nergens beschreven. Dit terwijl u kunt voorstellen dat een bouwkraan bovenop een dijklichaam direct effect zal hebben. Ruim 60 bouwkranen in de nabijheid van het dijklichaam hebben gezamenlijk al een negatief effect en zeker in combinatie met heien.

12.3. De toegangswegen en de daaraan verwante toename van verkeersdruk is eveneens niet beschreven in de MER. In de RIP wordt ook geen rekening gehouden met deze civiele voorzieningen. Zoals hierboven al beschreven is, maakt de bouwtermijn van zeven jaren het niet mogelijk om de verkeersdruk van het werkverkeer tijdelijk te zien. Derhalve dient men geluidsgevoelige objecten zoals de woningen langs de dijk aan te passen met geluidsreducerende maatregelen.

12.4. Onder paragraaf 2.5 wordt gesproken over transformatorstations. De oppervlakte afmetingen worden daarbij gegeven. Er wordt echter niets gerept over de hoogte. De plaatsing van de transformatorstations is eveneens duidelijk. Uitdrukkingen zoals “aan de noordkant” of “aan de zuidkant” zijn vaag en onduidelijk om de exacte plaatsing te kunnen beoordelen.

12.5. In dezelfde paragraaf wordt ook stilgestaan bij het verdeelstation van TenneT. Deze zal een oppervlakteafmeting krijgen van 120 bij 170 meter. Hoewel het geen onderdeel uitmaakt van het voornemen van de initiatiefnemers, maakt het wel een onlosmakelijk onderdeel uit van het windmolenpark. Dit verdeelstation staat namelijk volledig ten dienste van het windmolenpark en maakt zelfs een cruciaal onderdeel uit van de plannen van initiatiefnemers om stroom te leveren middels de windmolens. Dit verdeelstation en de effecten hiervan op het milieu dienen zijn daarmee onderdeel van het initiatief en dienen te worden onderzocht in het MER. Daarbij is van belang om de plaatsing en de exacte omvang met bouwvolume te vermelden van dit verdeelstation. Nog steeds onder dezelfde paragraaf schrijft men over de kabels onder het water. Deze worden ingegraven op een diepte van twee meter. In het MER en de antwoordnota op het MER laten de initiatiefnemers weten dat ze bewust zijn van de aanwezigheid van visserijschepen tussen de kust en de windmolens.

12.6. Door de vismethode met sleepnetten, zal er sprake zijn van grondroering. Wanneer men dit gegeven neemt met de normale grondroering door waterstromingen, kan men goed voorstellen dat de kabel bloot kan komen te liggen. Het MER noch de aanpassing hierop geven geen duidelijkheid over de bescherming van deze kabel of bescherming van de visserijnetten tegen deze kabel.

12.7. Paragraaf 2.6 heeft als onderwerp “bouw en aanleg”. Het is daarbij opvallend dat men spreekt op land spreekt over ploegendiensten tot in de avond (ca. tot 23:00 uur). Dit kan niet zonder benodigde ontheffing. Mocht deze ontheffing onverhoopt worden verlenen, dan wijzen wij op de bijgaande derving van levensgenot indien men tot 23:00 uur zware werkzaamheden uitvoert. De realisatie van de turbines in het IJsselmeer zullen zelfs 24 uur per dag plaatsvinden. De effecten van 24 uur per dag zeven dagen per week met verlichting van het bouwterrein in het water, zijn niet onderzocht in het MER. Het MER dient hier echter wel rekening mee te houden want het kunstmatige licht trekt diersoorten aan op een onnatuurlijke wijze. Het projectgebied veranderd voor een periode van jaren aaneengesloten in een industrieterrein. De effecten van de samenhang van alle bouwwerkzaamheden die 24 uur per dag duren zijn niet onderzocht.

12.8. De hele kuststrook rondom de Noordoostpolder is omheind met een dijk. In paragraaf 2.6 spreekt men over zogenaamde monopilen. Deze worden op land gefabriceerd en aangeleverd via een ponton. Het MER heeft nergens rekening gehouden met vervoer van een dergelijke monopile over het dijklichaam. Er dienen derhalve voorafgaand voorwaarden verbonden aan het bouwproces waarbij deze zware bouwmaterialen niet over het dijklichaam mogen worden vervoerd.

12.9. Vervolgens spreekt men over de scheepvaartveiligheidsvoorziening. Deze is niet aanwezig tijdens de bouwperiode. Gelet op de bouwperiode van zeven jaren, dient men wel degelijk onderzoek te doen naar de veiligheid van de scheepvaart tijdens de bouw. Zelfs onder paragraaf 4.1.1. waarbij men spreekt over de aanlegfase, wordt er alleen gesproken over een geleidedam. Het is echter onduidelijk hoe deze eruit zal zien en waar deze precies wordt geplaatst. Het is ook niet duidelijk waarom juist voor de geleidedam wordt gekozen en in hoeverre deze bijdraagt in de scheepvaartveiligheidsvoorziening. Er worden namelijk negatieve effecten verwacht voor de vogels stand en de driehoeksmosselen (areaalverlies).

 

13. Bouwtermijn

13.1. In het inpassingsplan en de vergunningen wordt gesproken over een bouwtermijn van zeven jaren. In die periode maakt een Natura2000 gebied een metamorfose door van een recreatie-, natuurgebied tot een industrieterrein. Binnen de Wro is het begrip “tijdelijk” gelijkgesteld aan een maximale periode van vijf jaren. Gelet op de bouwtermijn van zeven jaren dient men derhalve de effecten van de bouwtermijn net als de exploitatieperiode te onderzoeken. Een korte beschouwing daarin voldoet niet.

13.2. Zoals in een eerdere zienswijze is aangegeven, zal een dergelijke bouwperiode de jeugd aantasten van vele Urker kinderen. Doordat Urk de snelst groeiende gemeente is, is 50% van de bevolking onder de 25 jaren. Deze 9.000 inwoners onder de 25 jaren zullen een deel van hun jeugd in de rook van het windpark moeten doorbrengen. Het woon- en leefklimaat van deze personen zullen onacceptabel worden aangetast.

14. Scheepvaart

14.1. De risico’s voor de scheepvaart als gevolg van de komst van windturbines in het IJsselmeer worden onderschat. Hetzelfde geldt voor risico’s voor milieu en drinkwatervoorziening bij onverhoopte ongelukken met schepen.

14.2. Het Inpassingsplan constateert op bladzijde 56 dat aanvaringen tussen schepen met windturbines gevolgen kunnen hebben voor drinkwaterwinning uit het IJsselmeer en ecologie gezien de aard van de stoffen welke getransporteerd worden door de Vaargeul Amsterdam-Lemmer. Eveneens blijkt dat de initiële risico’s hierop beperkt zijn, gezien het aantal transporten en de kans op vrijkomen van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Inzake de  drinkwaterwinning speelt daarbij eveneens een rol dat het inname punt voor drinkwater op grote afstand van het plangebied is gelegen (nabij Andijk). Daarbij is er door de samenwerkende overheden een uitgebreid incidentenbestrijdingsplan opgesteld voor het IJsselmeer waarbij onder meer scenario’s inzake het vrijkomen van gevaarlijke stoffen zijn uitgewerkt. Hiervoor is een draaiboek beschikbaar en is eveneens bestrijdingsmaterieel beschikbaar.

14.3. In de ogen van appellanten wordt hier gesold met de milieurisico’s. Bestudering van het onderliggende MER-rapport sterkt hen in die stelling. Volgens de MER is er geen gevaar voor de scheepvaart (binnenvaart/recreatie) en andersom leveren deze ook geen gevaar voor de turbines op. Deze stelling wordt in paragraaf 9.15 onvoldoende onderbouwd. Zo wordt bijvoorbeeld benadrukt dat geen informatie voorhanden is om de kans op het uit de koers raken van een schip te bepalen. De gevolgen van mogelijke aanvaringen worden gebagatelliseerd, waarbij slechts ingegaan wordt op fysieke schade aan molens, schip en personeel. De mogelijke gevolgen voor het milieu worden niet genoemd. Wat te denken van een olieramp op het IJsselmeer?

14.4. Verder wordt in de MER niet ingegaan op de veiligheid voor vissersschepen. Dit is een vorm van beroepsvaart die op de geplande locaties intensief wordt bedreven. IJsselmeerkotters opereren tot vlak onder de kust. Ook de Commissie MER is van mening dat de MER de risico’s voor de scheepvaartveiligheid niet goed in beeld brengt. Volgens haar toetsingsadvies is de in de MER gehanteerde berekeningsmethodiek voor de scheepvaartveiligheid niet bruikbaar. Tot onze verbijstering komt de commissie vervolgens zelf met een niet onderbouwde aanname, namelijk dat “bij benadering eens in de tien jaar een schip uit de vaargeul raakt en daarbij in aanraking komt met een windturbine.” Zij adviseert om deze aanvaringskans mee te nemen in de besluitvorming.

14.5. Wij constateren verder dat het MER geen rekening houdt met het effect van de lichtbundel van de Urker vuurtoren, die een bereik heeft van 31 kilometer. Zodra deze bundel op de windmolens valt, zal dat leiden tot slagschaduw en mogelijk een levensgevaarlijke situatie voor de scheepvaart in de vlakbij liggende vaargeul.

14.6. Ook in het zonlicht veroorzaken de molens slagschaduw, die voor de scheepvaart zeer hinderlijk kan zijn. Vooral bij laagstaande zon ligt er een langgerekte schaduw over het IJsselmeer. Het IJsselmeer is niet alleen een groot natuurgebied, maar ook zeer belangrijk voor de drinkwatervoorziening van een groot deel van Nederland. De risico’s de het windpark op dit terrein met zich mee zal brengen, worden naar onze mening in de plannen zwaar onderschat.Het MER geeft een beschrijving van de gevolgen van een aanvaring van een schip met een windturbine. Deze beschrijving beperkt zich echter tot mogelijke gevolgen voor de turbine (zoals beschadigen, knikken) en het schip en haar bemanning (zinken/stranden). De mogelijke daaruit voortvloeiende effecten(of schade) op het milieu door het vrijkomen van de lading in het IJsselmeer zijn niet beschreven. In de aanvulling is geen nadere informatie gegeven over mogelijke ‘vervolg-effecten’.

14.7. De Commissie MER wijst er in haar toetsingsadvies op dat in 2002 ongeveer 10% van de vervoerde lading per schip op het IJsselmeer bestond uit brandstof en andere gevaarlijke stoffen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is een dubbele bodem verplicht. Voor brandstoffen geldt deze verplichting vanaf 2018. De Commissie acht de mogelijkheid van lekkage van milieuverontreinigende stoffen in het IJsselmeer dan ook zeer wel aanwezig, met name in het geval een schip met een dergelijke lading een enkele bodem heeft en bij stranding deze bodem openscheurt, dan wel in het geval een schip een dermate harde aanvaring heeft met een windturbine, dat de windturbine knikt en op het schip valt. De Commissie adviseert om bij de besluitvorming stil te staan bij de aanvaringsrisico’s (‘vervolg-effecten’) voor de natuur en de drinkwatervoorziening.

14.8. De Commissie acht een uitgebreide studie naar deze risico’s niet zinvol omdat er te weinig gegevens beschikbaar zouden zijn om deze goed uit te kunnen voeren. Wat ons betreft zou dat reden moeten zijn om de risico’s te mijden.

 

 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...