Zienswijze ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder fase 2

Bureau Energieprojecten

Inspraakpunt Windpark Noordoostpolder

Postbus 223

2250 AE Voorschoten

 

AANTEKENEN (tevens verzending per gewone post)

Betreft: zienswijze ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder fase 2

 

 

Urk, 5 oktober 2011

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij dienen de volgende organisatie en privé-personen een zienswijze in met betrekking tot de hierna te noemen ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder fase 2, die sinds 26 augustus jongstleden ter inzage liggen:

De zienswijze van deze belanghebbenden betreft de ontwerpbesluiten watervergunningen van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland inzake de lijnopstellingen Noordermeerdijk Binnendijks, Westermeerdijk Binnendijks en Zuidermeerdijk. Deze vergunningen zijn aangevraagd in het kader van de Waterwet en de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2011.

De zienswijze betreft de volgende zaken:

1. Procedureel

1.1 Het ministerie van Economische Zaken kwam al op 4 augustus met een persbericht waarin werd aangekondigd dat de ontwerpbesluiten watervergunningen binnenkort ter inzage zouden worden gelegd. Op dat moment waren de aanvragen nog niet ingediend bij het Waterschap Zuiderzeeland, dat is namelijk op 5 augustus gebeurd. Gezien de betrokkenheid en het belang van het ministerie bij het Windpark Noordoostpolder, dringt zich de vraag op of de beoordeling van de aanvragen door Waterschap Zuiderzeeland wel zonder inmenging van het ministerie heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op de inhoud van de ontwerpbesluiten ontstaat bij ons het vermoeden van taakstellend beleid: er is bewust toegeschreven naar de al geruime tijd in procedure zijnde plannen, waarbij de bezwaren die bij de Raad van State zijn ingediend tegen de eerder afgegeven keurontheffingen een grote rol hebben gespeeld.

1.2 Al in 2008 stelde comité Urk Briest bij Waterschap Zuiderzeeland de vraag of de nevenfunctie van voorzitter van Windkoepel Noordoostpolder van de heer H. Tiesinga wel te combineren is met zijn positie als dijkgraaf van Waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap heeft herhaaldelijk geconstateerd dat geen sprake zou zijn van belangenverstrengeling.

 

Deze zomer (2011) ontstond commotie in Flevoland naar aanleiding van deze zelfde kwestie, nu door politici voor het voetlicht gebracht. Uiteindelijk pleitte een rapport van deskundigen, ingehuurd door het Waterschap, de dijkgraaf vrij. Hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries is in het orgaan Binnenlands Bestuur echter zeer kritisch over dit rapport.

Zie http://www.binnenlandsbestuur.nl/vakgebieden/ruimte-milieu/%E2%80%98rapport-over-dijkgraaf-tiesinga-rammelt%E2%80%99.1980459.lynkx

De onafhankelijkheid van dijkgraaf Tiesinga ten opzichte van Windpark Noordoostpolder staat kennelijk nog steeds ter discussie. Daarmee blijft de vraag of watervergunningen op dit moment rechtmatig kunnen worden verleend.

2. Inhoudelijk

2.1 Elk van de drie ontwerpbesluiten bevat onder punt VII de volgende passage:

VII. De genoemde onderzoeksrapporten, werkplannen, de nog goed te keuren (werk)plannen,

overige plannen en onderzoeken conform de voorschriften in dit besluit, zijn na

schriftelijke goedkeuring door of namens het waterschap alsnog onderdeel van dit besluit

en worden na goedkeuring toegevoegd aan bijlage IV.

Wij zijn van mening dat deze passage te veel ruimte biedt aan de vergunningaanvragers en aan het waterschap om, zonder ter inzagelegging en dus zonder democratische inspraak van belanghebbenden, nadere invulling aan de bouwplannen voor de diverse lijnopstellingen te geven. Dit betreft onder meer de locatie en uitvoering van kraanopstellingen, de te gebruiken materialen en installaties en uitvoering van fundaties. Hierbij kan naar onze mening de stabiliteit van de polderdijken in het geding zijn en daarmee de veiligheid van de inwoners van de waterstaatkundige Noordoostpolder, wat wij allen zijn. Ook het cultuurhistorisch erfgoed van het voormalige eiland Urk kan hierdoor bedreigd worden, namelijk in het geval de Noordoostpolder door een calamititeit (dijkdoorbraak) getroffen zou worden. Daar is het belang van de Stichting Erfgoed Urk mee gemoeid, die als doelstelling onder meer heeft de instandhouding van genoemd cultuurhistorisch erfgoed te bevorderen.

2.2 Elk van de drie ontwerpbesluiten bevat onder hoofdstuk 3.1 (voorschriften) de volgende passage:

Voorschrift 7

(bouwen langs de waterkering en langs watergangen)

1. Het is toegestaan in de gesloten periode, van 15 oktober tot 15 maart, de uitvoering van

het werk voort te zetten in de binnen-, tussen- en buitenbeschermingszone van de

waterkering.

 

Niet voor niets geldt voor de waterkering een gesloten periode. In het stormseizoen zijn de risico’s bij onverhoopte schade aan de waterkering evident groter dan in de zomermaanden. Naar onze mening is niet, althans onvoldoende, aangetoond dat voortzetting van de bouwwerkzaamheden in de gesloten periode dermate noodzakelijk is dat dit dit opweegt tegen de grotere risico’s. De veiligheid van 60.000 inwoners van de waterstaatkundige Noordoostpolder dient naar onze mening het zwaarst te wegen.

2.3 Elk van de drie ontwerpbesluiten bevat onder hoofdstuk 3.1 (voorschriften) de volgende passage:

Voorschrift 7

(bouwen langs de waterkering en langs watergangen)

7. In algemene zin geldt dat het heien van de funderingspalen niet mag worden uitgevoerd

als het oppervlaktewater van het IJsselmeer door golfoploop en wind hoger is dan

NAP + 1,65 m (min of meer overeenkomend met de hoogteligging van het buitendijkse

inspectiepad). De ambtenaar bepaalt wanneer deze situatie zich voordoet.

De heiwerkzaamheden worden dan stilgelegd door de mondelinge aanzegging van de

ambtenaar. Het stilleggen van het heien wordt schriftelijk vastgelegd door het

waterschap.

Onduidelijk is waarop de hoogtegrens van 1,65 m boven NAP is gebaseerd. Het water staat dan bijna halverwege de dijk, een situatie die zich naar onze indruk zelden voordoet. De vraag is of deze hoogte wellicht taakstellend is vastgesteld, om de werkzaamheden zo min mogelijk te belemmeren. Naar onze mening dient een deskundige risico-analyse ten grondslag te liggen aan de voor te schrijven grenswaarde.

2.4 Onder hoofdstuk 3.2 wordt in elk van de drie ontwerpbesluiten gesteld dat in de diverse rapportages wordt uitgegaan van een conservatieve benadering. In zijn afweging van belangen en beoordeling van de aanvragen heeft het waterschap hier rekening mee gehouden en mede daarom de vergunningen verleend.

In dit kader stelt het waterschap (citaat uit 3.2):

Het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van een vergunning is afgewogen tegen

de belangen die door de Waterwet, de keur en het beleid van het waterschap worden

beschermd.

Tegen deze benadering door het waterschap hebben wij de volgende bezwaren:

- het waterschap dient geen belang van de aanvrager af te wegen tegen de belangen die door de Waterwet en de keur worden beschermd. Het belang van de aanvrager is een commercieel belang, de belangen die door Waterwet en keur worden beschermd raken de veiligheid van de inwoners van de waterstaatkundige Noordoostpolder. Voor het waterschap dienen die laatste te allen tijde prioriteit te hebben.

 

- door zo de nadruk te leggen op een conservatieve benadering in de diverse rapportages, wordt verdoezeld dat steeds sprake is van inschattingen, ramingen en extrapolaties. Er is geen enkele ervaring met de bouw van de enorme betonnen constructies van de windturbine E126 zo dicht bij een gevoelige waterkering als de Noordoostpolderdijk. Een dijk die een gebied beschermt dat ongeveer 5 meter beneden NAP ligt en waar zeker 60.000 mensen wonen. Monitoring tijdens de bouw is ons inziens onvoldoende; áls het fout gaat, ben je dan al te laat. Het is niet bekend welke invloed trillingen tijdens de bouwfase én de exploitatiefase op de dijken zullen hebben, het waterschap dient ons inziens geen enkel risico te nemen en geen vergunningen af te geven.

2.5 Onder hoofdstuk 3.2 wordt in elk van de drie ontwerpbesluiten gesteld (citaat):

De windturbinefundamenten (inclusief de windturbine) zijn getoetst aan het Beleid

waterkeringen, hoofdstuk windmolens (2009). De windmolens zijn deels gesitueerd in de

tussenbeschermingszone en grotendeels in de buitenbeschermingszone. Dit sluit aan op

het beleid van het waterschap.

 

Allereerst bestrijden wij dat bouw in de tussenbeschermingszone aansluit op het beleid van het waterschap. Waterschap Zuiderzeeland heeft als enige waterschap de binnenbeschermingszone (waar de bouw van windmolens verboden is) ‘opgeknipt’ in een binnen- en een tussenbeschermingszone. In de tussenbeschermingszone wil men de bouw van windmolens onder voorwaarden tijdelijk toestaan. Uitgangspunt van het beleid is echter, en dient te zijn, dat de stabiliteit van de dijken geen enkel risico mag lopen. En dus dat in de hele oorspronkelijke binnenbeschermingszone (thans dus opgesplitst) geen windmolens worden gebouwd. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de ‘tussenbeschermingszone’ is uitgevonden om de initiatiefnemers van Windpark Noordoostpolder tegemoet te komen, namelijk om de windturbines zo dicht mogelijk bij de dijken te bouwen. Geen boer wil zo’n molen middenin zijn kavel en bij plaatsing verder van de dijk komt men in de knel met geluidsvoorschriften. Kortom, hier is naar onze mening sprake van een taakstellende interpretatie van het eigenlijke beleid.

In de tweede plaats weigert het waterschap tot nu toe om onderbouwd inzicht te geven in de negatieve ervaringen met kleine windmolens op de polderdijken van Flevoland, die aanleiding waren om het beleid voor de bouw van windmolens nabij waterkeringen in 2009 aan te scherpen. Per schrijven van 22 juli 2011 hebben L. van Loosen, T. Roos en Stichting Erfgoed Urk met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur bij Waterschap Zuiderzeeland achtergrondinformatie opgevraagd inzake het Beleid Primaire Waterkeringen voor de onderdelen windmolens, kabels en leidingen en beplantingen. Concreet wilden zij weten welke beheerervaringen tot aanscherping van het beleid hebben geleid.

Het antwoord van het Waterschap was voor appellanten teleurstellend, omdat men ontkende dat documenten of schriftelijke stukken aanwezig waren. Echter, onder meer uit de notulen van de Algemene Vergadering van het Waterschap d.d. 16 december 2008 blijkt dat een medewerker van het waterschap heeft gezegd dat de trillingen die de huidige (kleine) windmolens die langs de dijk van Oostelijk Flevoland nabij de Flevocentrale staan deze dijk hebben beschadigd en dat met deze kennis geen molens meer bij de dijk zullen worden geplaatst. Ook onder vakgenoten is bekend dat trillingen veroorzaakt door windmolens in de dijjken die Zuiderzeeland beheert zettingsvloeiing hebben veroorzaakt . Waterschap Zuiderzeeland heeft geweigerd in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank en wil eerst de interne bezwaarprocedure doorlopen.

Onze conclusie: er is sprake van schade aan dijken door trillingen van (kleine) windmolens die nabij de dijken zijn gebouwd. Waterschap Zuiderzeeland weet dat, vakgenoten weten het, maar gegevens wil men vooralsnog niet openbaar maken. Aangezien al twee keer een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur moest worden gedaan om informatie van het waterschap ‘los’ te krijgen, zijn bij ons gerede twijfels gerezen over de stelling van het waterschap dat Windpark Noordoostpolder geen risico’s voor de waterkering met zich meebrengt.

De nu ter inzage liggende watervergunningen dreigen ten onrechte te worden toegekend. Er is sprake van schade, men houdt dit onder de pet en bagatelliseert de risico’s voor de veiligheid van de inwoners van de waterstaatkundige Noordoostpolder.

2.6 Het waterschap dient lering te trekken uit recente incidenten met de Noordoostpolderdijken, waaruit is gebleken dat die dijken veel zwakker waren dan vooraf ingeschat. Voordat met de bouw van de windturbines wordt begonnen, dient de opbouw en stabiliteit van de dijk ter plekke van elke locatie te worden onderzocht.

T. Roos heeft met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (na aanvankelijke weigering) van Waterschap Zuiderzeeland rapportages ontvangen over een drietal ernstige incidenten bij de westelijke dijken van de Noordoostpolder. Deze rapportages zijn bij het Waterschap dus bekend, daarom sturen wij deze niet mee.

Uit de rapportage van bureau IFCO n.a.v. instabiel worden van de Noordermeerdijk in het voorjaar van 2002 blijkt de Noordermeerdijk minder goed tegen ‘een stootje’ (in dit geval veroorzaakt door transportverkeer) te kunnen dan het Waterschap had verwacht. Keileem blijkt water lang vast te houden en daardoor af te kunnen schuiven bij belasting. Bovendien blijkt de dijk instabiele plekken te bevatten.

Uit de rapportage van Grontmij Nederland n.a.v. schade aan het dijklichaam nabij gemaal Vissering te Urk in het najaar 2004 blijkt het dijklichaam ook hier veel minder stabiel dan het Waterschap had verwacht. Losse pakking van het zand in combinatie met een hoge grondwaterstand pakten verkeerd uit toen het Waterschap een damwand in de bodem ging trillen. Plotseling ontstond een dermate ernstige verzakking van het dijklichaam, dat sprake was van een acute noodsituatie. Trillingen bleken dus desastreus voor het dijklichaam.

Uit de rapportage van Grontmij Nederland n.a.v. het inzakken van de strekdam nabij gemaal Vissering te Urk op 14 april 2005 blijkt dat de havendam, een ‘zijarm’ van de polderdijk, is opgebouwd uit los gepakt zand en dat deze zeer gevoelig is voor trillingen. Ook is sprake van een zeer grote kwelstroom tussen IJsselmeer en (binnendijkse) Urkervaart (‘kortsluiting’). Grontmij waarschuwt dat het grondlichaam door trillingen instabiel kan worden. De problemen zijn vooral te verwachten bij werkzaamheden waarbij een trillingsbron wordt gebruikt met een hoge energie, zoals trilblokken, trilwalsen, heiblokken etc. Grontmij kijkt ook vooruit naar mogelijke peilverhoging van het IJsselmeer in de toekomst. Dan moet de waterkering in deze hele omgeving nader bestudeerd worden.

Tot onze verbijstering heeft het Waterschap n.a.v. deze ernstige incidenten geen nieuw beleid opgesteld. Wie garandeert de 60.000 inwoners van de waterstaatkundige Noordoostpolder dat bij de bouw en exploitatie van de reuzen-windturbines geen gevaarlijke situatie ontstaat rondom de stabiliteit van polderdijken, die kennelijk op meerdere plaatsten langs het geplande traject zwakker zijn dan verwacht.

2.7 Rapport Stichting Toegepast onderzoek Waterbeheer te Amersvoort (Stowa) ‘Windturbines op of langs waterkeringen’ d.d. mei 2011:

zie http://www.stowa.nl/upload/publicaties/STOWA%202011-W-04%20.pdf.

Dit rapport, samengesteld door deskundigen van verschillende bureaus, meldt dat er onvoldoende kennis is van de risico’s van de plaatsing van windturbines voor de waterkerende functie van dijken. Citaat: Men weet nog niet wat de precieze invloed is van trillingen in de ondergrond van een windturbine die op of naast een waterkering staat.

Deskundigen twijfelen dus aan de invloed van trillingen op de stabiliteit van dijken. De bouw van het Windpark Noordoostpolder dient volgens ons daarom ten minste te worden opgeschort tot de risico’s wél bekend zijn en aanvaardbaar geacht.

2.8 Wij verwijzen verder naar het Memo Beoordeling ontwerpvergunningen ws Zuiderzeeland d.d. 27 september 2011, dat andere belanghebbenden bij hun zienswijze hebben ingebracht. Wij verzoeken u de inhoud van dat memo als integraal onderdeel van onze zienswijze te beschouwen. Deltares heeft dit memo opgesteld naar aanleiding van de ontwerpwatervergunningen die in de periode 26 augustus tot en met 6 oktober 2011 ter inzage liggen. Aan de ontwerpwatervergunningen liggen aanvragen met bijlagen ten grondslag.

In het bijzonder Bijlage B bij de aanvragen en het rapport van Fugro d.d. 5 augustus 2011 met kenmerk 1009-0061-006, bijlage 7 zijn van belang. Uit die bijlagen blijkt dat het risico van (toename van) kwel als effect van de aanleg en de exploitatie van de windturbines niet wordt onderkend. Ten onrechte.

In de Memo’s van Deltares d.d. 16 februari 2011, 17 mei 2011, en 13 juli 2011, ingebracht in het kader van de beroepsprocedure tegen het inpassingsplan voor het Windpark Noordoostpolder) heeft Deltares uiteengezet dat het risico van (de toename van) kwel aanwezig is. De turbines worden gesitueerd in een gebied waar de dikte van de afsluitende deklagen (die lokaal geheel ontbreken!) en de stijghoogte van het grondwater zeer wisselend zijn. De aanname van Fugro, dat het risico op kwel zich niettemin niet kan voordoen vanwege de toepassing van grondverdringende palen, is naar het oordeel van Deltares onjuist. Fugro gaat ten onrechte ondanks deze variatie in afsluitende deklagen zonder meer uit van de autonome zetting en de elastische werking van de aanwezige deklaag, waardoor de aanhechting van de grond tegen de palen onverminderd goed zal blijven en geen kieren (kwelweg) kunnen ontstaan.

In het Memo d.d. 26 september 2011 bespreekt Deltares de tekortkomingen in het rapport van Fugro, en concludeert Deltares –nogmaals- dat vooralsnog tot uitgangspunt moet worden genomen dat (ook) in de gebruiksfase sprake is van een risico op toename van kwel als gevolg van trillingen door de dynamische windbelasting, waardoor langs de funderingspalen kieren kunnen ontstaan.

Niet alleen in de eerdere rapporten die Fugro in het kader van de MER en van de beroepsprocedure tegen het inpassingsplan voor het windpark heeft opgesteld, maar ook in het rapport dat Fugro ter begeleiding en ondersteuning van de aanvragen om watervergunning heeft opgesteld, blijkt dat het aspect kwel geen althans nauwelijks aandacht krijgt. Alle opgenomen tabellen en analyses hebben betrekking op effecten op een afstand van minstens 42,5 meter van de turbine (de kortste afstand tussen een funderingspaal en de kwelsloot). Het risico van kwel is echter al op veel kortere afstand aan de orde, te weten ter plaatse van de turbine en de funderingspalen zelf. Bovendien zijn de sonderingen/grondprofielen, die Fugro in haar rapporten aanhaalt in verband met de stabiliteit van de waterkering, niet per definitie bruikbaar om de effecten van kwel te bepalen.

Feit is dat het risico op kwel niet is onderzocht (omdat het immers uitgesloten wordt geacht): de in het kader van de totstandkoming van het inpassingsplan en de daarop betrekking hebbende beroepsprocedure geproduceerde rapporten hebben primair betrekking op de effecten van het plan voor de stabiliteit van de waterkering, en dat is iets anders dan kwel. Fugro erkent in wezen zelf dat het aspect kwel niet is onderzocht: zij stelt immers dat (een toename van) kwel zich niet kan voordoen alleen al vanwege het gebruik van grondverdringende palen. Daar komt bij dat de analyses die wel in de rapporten van Fugro zijn opgenomen, niet een op een bruikbaar zijn om het risico van (toename van) kwel te bepalen.

Naar ons oordeel zijn zeer aldus relevante effecten van de te vergunnen voorzieningen niet in beeld gebracht. Deze effecten dienen, met inachtneming van de aandachtspunten die Deltares signaleert, in beeld te worden gebracht vóórdat het waterschap tot vergunningverlening besluit. Gelet op het feit dat het plangebied ook zonder turbines al zeer kwelgevoelig is –ter plaatse van het huidige turbinepark is na aanleg sprake geweest van een sterke toename van kwel- en gelet op de ernstige gevolgen van kwel voor een normale agrarische bedrijfsvoering is het niet aanvaardbaar om, zoals Fugro adviseert, de verdere uitwerking van de paalfunderingen uit te stellen tot de aanlegfase. Die risico’s hadden in kaart moeten zijn gebracht voordat de ontwerp-watervergunningen ter inzage werden gelegd.

Daarvoor is temeer aanleiding vanwege het feit dat na realisering van de huidige 50 windturbines langs de Westermeerdijk sprake is geweest van een relevante toename van kwel. Uit het rapport van Grontmij N.V. d.d. februari 1987, dat door het waterschap aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is overgelegd en dat ten grondslag heeft gelegen aan de eerdere keurontheffingen ten behoeve van de huidige turbines, blijkt dat Grontmij eveneens is uitgegaan van grondverdringende palen:

“Met betrekking tot de funderingspalen wordt geadviseerd gladde betonpalen toe te passen, zodat de afsluitende werking van het klei-/veenpakket behouden blijft en het ondiepe ontwateringssysteem niet be”invloed wordt door het diepe grondwater.”

Kortom, al bij het huidige windpark, waarbij eveneens grondverdringende palen zijn gebruikt, is sprake geweest van een toename van kwel. Dit toont aan dat de conclusies die Fugro verbindt aan het gebruik van grondverdringende palen wellicht wel in het algemeen juist zijn, maar niet opgaan voor dit gebied.

Wij verzoeken u bovenstaande zienswijze bij uw besluitvorming te betrekken en de watervergunningen niet te verlenen.

 

Hoogachtend,

 

Namens gemelde belanghebbenden,

 

T. Roos

Tevens penningmeester Stichting Erfgoed Urk

 

Correspondentie-adres:

Stichting Erfgoed Urk

Vormtweg 20A

8321 NC Urk

 

 

 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...