Beroep Fase 2 Windpark Noordoostpolder – Urk

Geachte heer, mevrouw,

Op 7 maart 2012 is in de Staatscourant fase 2 voor het Windpark Noordoostpolder – Urk gepubliceerd onder nummer 4569. In dit schrijven teken ik beroep aan tegen deze besluiten namens de navolgende (rechts)personen:

1. Mevrouw S. Pasterkamp en de heer P. Oost, wonende op Urk op het adres Spaarbankstraat 31,

2. De heer T.I.E.D.E. Oost en de heer J.E.P. Oost, wonende op Urk op het adres

Wijk 4-31,

3. Mevrouw M. Pasterkamp en de heer S. Schilder, wonende te Emmeloord op het adres Kloppenburgstaat 7,

4. Mevrouw M. Pasterkamp-Pasterkamp, wonende op Urk op het adres Wijk 6-39,

5. De heer P. Pasterkamp en mevrouw B.S. Pasterkamp-Kim, wonende op Urk op het adres Grote fok 11,

6. De Stichting Erfgoed Urk, gevestigd op Urk.

7. Mevrouw H. Coumou, wonende te Creil op het adres Noordermeerweg 13

8- 373. De heer G. de Boer .e.a. wonenden op Urk, volgens de gegevens in de bijlage.

In september 2011 zijn zienswijzen ingediend tegen de ontwerpbesluiten. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot een bestuurlijke heroverweging. Derhalve voelen de belanghebbenden zich genoodzaakt deze gronden uit de zienswijzen bij U in beroep neer te leggen. De beroepsgronden luiden als volgt.

 

1. Watervergunningen

Allereerst zet ik de beroepsgronden voor de “watervergunningen” ten behoeve van de lijnopstellingen Noordermeerdijk binnendijks, Westermeerdijk binnendijks en Zuidermeerdijk binnendijks uiteen.

Ik verwijs in de eerste plaats naar het Memo Beoordeling ontwerpvergunningen ws Zuiderzeeland d.d. 27 september 2011, dat andere belanghebbenden bij hun zienswijze hebben ingebracht.

Ik verzoek u de inhoud van dat memo als integraal onderdeel van mijn zienswijze te beschouwen. Deltares heeft dit memo opgesteld naar aanleiding van de ontwerpwatervergunningen die in de periode 26 augustus tot en met 6 oktober 2011 ter inzage liggen. Aan de ontwerpwatervergunningen liggen aanvragen met bijlagen ten grondslag. De desbetreffende stukken zijn door de Minister van EL&I bij brief van 6 september 2011 als nader stuk bij uw Afdeling ingebracht.

In het bijzonder Bijlage B bij de aanvragen en het rapport van Fugro d.d. 5 augustus 2011 met kenmerk 1009-0061-006, bijlage 7 zijn van belang. Uit die bijlagen blijkt dat het risico van (toename van) kwel als effect van de aanleg en de exploitatie van de windturbines niet wordt onderkend. Ten onrechte.

In de Memo’s van Deltares d.d. 16 februari 2011, 17 mei 2011, en 13 juli 2011 (bijlagen 2 t/m 5 bij deze zienswijze, opgesteld in het kader van de beroepsprocedure tegen het inpassingsplan voor het Windpark Noordoostpolder) heeft Deltares uiteengezet dat het risico van (de toename van) kwel aanwezig is. De turbines worden gesitueerd in een gebied waar de dikte van de afsluitende deklagen (die lokaal geheel ontbreken!) en de stijghoogte van het grondwater zeer wisselend zijn. De aanname van Fugro, dat het risico op kwel zich niettemin niet kan voordoen vanwege de toepassing van grondverdringende palen, is naar het oordeel van Deltares onjuist. Fugro gaat ten onrechte ondanks deze variatie in afsluitende deklagen zonder meer uit van de autonome zetting en de elastische werking van de aanwezige deklaag, waardoor de aanhechting van de grond tegen de palen onverminderd goed zal blijven en geen kieren (kwelweg) kunnen ontstaan.

In het Memo d.d. 26 september 2011 bespreekt Deltares de tekortkomingen in het rapport van Fugro, en concludeert Deltares –nogmaals- dat vooralsnog tot uitgangspunt moet worden genomen dat (ook) in de gebruiksfase sprake is van een risico op toename van kwel als gevolg van trillingen door de dynamische windbelasting, waardoor langs de funderingspalen kieren kunnen ontstaan.

Niet alleen in de eerdere rapporten die Fugro in het kader van de MER en van de beroepsprocedure tegen het inpassingsplan voor het windpark heeft opgesteld, maar ook in het rapport dat Fugro ter begeleiding en ondersteuning van de aanvragen om watervergunning heeft opgesteld, blijkt dat het aspect kwel geen althans nauwelijks aandacht krijgt. Alle opgenomen tabellen en analyses hebben betrekking op effecten op een afstand van minstens 42,5 meter van de turbine (de kortste afstand tussen een funderingspaal en de kwelsloot). Het risico van kwel is echter al op veel kortere afstand aan de orde, te weten ter plaatse van de turbine en de funderingspalen zelf. Bovendien zijn de sonderingen/grondprofielen, die Fugro in haar rapporten aanhaalt in verband met de stabiliteit van de waterkering, niet per definitie bruikbaar om de effecten van kwel te bepalen.

Feit is dat het risico op kwel niet is onderzocht (omdat het immers uitgesloten wordt geacht): de in het kader van de totstandkoming van het inpassingsplan en deze beroepsprocedure geproduceerde rapporten hebben primair betrekking op de effecten van het plan voor de stabiliteit van de waterkering, en dat is iets anders dan kwel. Fugro erkent in wezen zelf dat het aspect kwel niet is onderzocht: zij stelt immers dat (een toename van) kwel zich niet kan voordoen alleen al vanwege het gebruik van grondverdringende palen. Daar komt bij dat de analyses die wel in de rapporten van Fugro zijn opgenomen, niet een op een bruikbaar zijn om het risico van (toename van) kwel te bepalen.

Naar mijn oordeel zijn zeer aldus relevante effecten van de te vergunnen voorzieningen niet in beeld gebracht. Deze effecten dienen, met inachtneming van de aandachtspunten die Deltares signaleert, in beeld te worden gebracht vóórdat het waterschap tot vergunningverlening besluit. Gelet op het feit dat het plangebied ook zonder turbines al zeer kwelgevoelig is –ter plaatse van het huidige turbinepark is na aanleg sprake geweest van een sterke toename van kwel- en gelet op de ernstige gevolgen van kwel voor een normale agrarische bedrijfsvoering is het niet aanvaardbaar om, zoals Fugro adviseert, de verdere uitwerking van de paalfunderingen uit te stellen tot de aanlegfase. Die risico’s hadden in kaart moeten zijn gebracht voordat de ontwerp-watervergunningen ter inzage werden gelegd.

Daarvoor is temeer aanleiding vanwege het feit dat na realisering van de huidige 50 windturbines langs de Westermeerdijk sprake is geweest van een relevante toename van kwel. Uit het rapport van Grontmij N.V. d.d. februari 1987, dat door het waterschap aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is overgelegd en dat ten grondslag heeft gelegen aan de eerdere keurontheffingen ten behoeve van de huidige turbines, blijkt dat Grontmij eveneens is uitgegaan van grondverdringende palen:

“Met betrekking tot de funderingspalen wordt geadviseerd gladde betonpalen toe te passen, zodat de afsluitende werking van het klei-/veenpakket behouden blijft en het ondiepe ontwateringssysteem niet be”invloed wordt door het diepe grondwater.”

Het rapport van Grontmij is als bijlage 04-13 gevoegd bij het verslag van de StAB, en wordt hierbij als nader stuk (bijlage 6) ingebracht.

Kortom, al bij het huidige windpark, waarbij eveneens grondverdringende palen zijn gebruikt, is sprake geweest van een toename van kwel. Dit toont aan dat de conclusies die Fugro verbindt aan het gebruik van grondverdringende palen wellicht wel in het algemeen juist zijn, maar niet opgaan voor dit gebied.

Ik wijs in dit verband tot slot op het –niet onderzochte- risico van kwel maar ook van gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering als gevolg van het mogelijk onderheien van de opstelplaatsen voor de turbines. Volgens planregel 4.1 sub b. van het inpassingsplan mogen de opstelplaatsen ook worden gerealiseerd op de gronden met de bestemming Verkeersdoeleinden. De gronden met deze bestemming zijn gesitueerd binnen de binnenbeschermingszone van de waterkering (zie figuur 2.2 van het rapport van Fugro d.d. 5 augustus 2011). Het MER noemt op pag. 157 als mogelijkheid (“wellicht”) dat de opstelplaats van de kraan voor de bouw van de E126 wordt gefundeerd met heipalen om de optredende belasting te kunnen dragen. Als de opstelplaatsen onderheid worden zal dus, op grond van de regels van het plan, op nog veel kortere afstand dan 42,5 meter van de waterkering sprake kunnen zijn van het doorsnijden van de dunne deklagen. Ook de gevolgen daarvan zijn niet onderzocht, en moeten worden onderzocht voordat de watervergunningen worden verleend.

Ten aanzien van de aan de ontwerp-vergunningen verbonden voorschriften verwijs ik naar het Memo van Deltares d.d. 26 september 2011.

Ten aanzien van de watervergunningen concludeer ik dat deze vergunningen niet kunnen worden verleend zonder voorafgaand onderzoek naar de effecten van de realisering van de te vergunnen voorzieningen op het optreden van kwel, en dat de aan de ontwerpvergunningen verbonden voorschriften in ieder geval ontoereikend zijn. Ik ben bovendien van oordeel dat het zowel vanuit technisch als economisch oogpunt niet realistisch is om uit te gaan van de mogelijkheid van herstel achteraf, in het geval de toename van kwel zich na de aanleg van het park daadwerkelijk manifesteert.

Tot slot wil ik alvast kort reageren op een mogelijk verweer zoals deze tijdens de zitting bij Uw Afdeling naar voren is gebracht. Verweerders stelden dat de palen een kleine wringing hebben waardoor er nog geen centimeter ruimte was voor het kwelwater om omhoog te komen. Daarbij gingen zij echter voorbij het feit dat vele palen na de bouwperiode eruit worden gehaald waardoor er meters ruimte is voor vorming van kwel.

Ik verzoek u de verleende vergunningen en haar rechtsgevolgen ongedaan te maken.

2. AmvB Wijziging milieuregels windturbines

Op 14 oktober 2010 is het besluit tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht (wijziging milieuregels windturbines) in werking getreden. De onderhavige maatwerkvoorschriften zijn gebaseerd op dit besluit.

Dit besluit is echter in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het besluit maakt namelijk een hogere piekbelasting mogelijk die leidt tot een excessieve geluidsoverlast voor omliggende woningen in strijd met het recht op eerbiediging van privé-, familie en gezinsleven. Het besluit is hiernaast niet handhavend om de navolgende gronden. Het besluit wijziging milieuregels windturbines dient daarom onverbindend te worden verklaard en kan geen grondslag vormen voor de maatwerkvoorschriften.

2.1. Ernstige hinder

De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft richtlijnen voorgeschreven waarbij een grens van 55 dB LAeq voor buitenruimtes van woningen behoort. Deze grens word vele malen overschreden door het besluit wijziging milieuregels windturbines. Tijdens de Tweede Kamerbehandeling heeft minister Cramer op 11 september 2009 aan de heer Zijlstra beantwoordt dat deze norm 9% is bestempeld als ernstige hinder. Hiervoor verwijst zij naar het TNO-rapport (Hinder door geluid van windturbines, rapport nr. 2008-D-R1051/b). In dit rapport wordt echter nadrukkelijk geadviseerd om in het beleid met betrekking tot windturbines rekening te houden met verwachte hinderpercentages zowel binnenshuis als buitenshuis. Volgens hetzelfde rapport veroorzaakt de norm (47 Lden) maar liefst 20% ernstig gehinderden buitenshuis.  Deze percentages zullen in een omgeving met een lager achtergrondgeluidsniveau nog (veel) hoger zijn, terwijl tegelijk hinder buitenshuis juist op het platteland waar men veelal over een tuin beschikt of op het land werkt, veel sterker zal worden ervaren. Dit is een ernstige aantasting van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse en is binnen het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ontoelaatbaar. Het rijksbeleid is erop gericht geen toename van ernstige hinder toe te staan door nieuwe activiteiten.  Dit Besluit is hiermee in strijd en dient ook op deze grond buiten toepassing te worden gelaten.

In de uitspraak van 20 mei 2010 (Oluic tegen Kroatië, nr. 61260/08) heeft het Hof vastgesteld dat het excessieve geluidsoverlast een schending is van artikel 8 EVRM. Door de 9% ernstige hinder twee uren per dag met de rest van de dag “normale” hinder, is er al sprake van desastreuze gevolgen op het genot van de eigen woning en op een ongestoord familie- en gezinsleven. Het Hof heeft bij deze toetsing de richtlijnen van de Wereld Gezondheid-sorganisatie (WH) gehanteerd. Deze schrijven een gevelbelasting met een piekmeting van overdag 55 dB(A) toe en nachts 45 dB(A). Met deze Lden norm spreekt men echter niet van piekbelasting maar van jaarlijkse gemiddelden. Dit verklaart de 9% ernstige hinder.

2.2. Handhaafbaarheid Lden geluidsvoorschriften

In de Nota van Toelichting bij het Besluit wijziging milieuregels windturbines staat  in par. 12.2 het volgende vermeld:

“Omdat alleen een Lden-criterium wordt vastgesteld, is het handhaven middels directe immissiemetingen vrijwel uitgesloten. Het Reken- en meetvoorschrift bevat dan ook geen immissie-meetvoorschrift. Wel is voorzien in een emissie-meetvoorschrift. Daarmee kunnen de opgaven van het geluidvermogen van de fabrikant relatief eenvoudig gecontroleerd worden. De door de fabrikant opgegeven emissiekarakteristieken van de windturbine vormen het uitgangspunt bij het akoestisch onderzoek. Op basis van het jaargemiddelde geluidvermogen wordt het immissieniveau bij normaal gebruik vastgesteld, hetgeen aan de normstelling wordt getoetst.Een eventuele handhavingsactie, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten, richt zich dan ook op controle van het geluidvermogen. Dit kan gecontroleerd worden middels een emissiemeting. Met behulp van de gemeten emissies van de windturbine kan het jaargemiddelde geluidvermogen worden berekend. Indien hieruit blijkt dat de windturbine niet aan de opgave uit het akoestisch rapport voldoet, dient in principe handhavend te worden opgetreden.Bij gerede twijfel aan de juistheid van de karakteristieken van de windturbine of bij persistente klachten kan bovenbedoelde emissie-meting worden uitgevoerd.”

Controle, bewaking en handhaving van de Lden-norm door middel van directe geluidimmissiemetingen is dus uitgesloten. Dit komt omdat de Lden een gewogen gemiddelde is over het etmaal en er nooit een moment is waarvoor een concrete immissienorm geldt waaraan getoetst kan worden bij handhaving. Dit wordt nog versterkt doordat de controle op Lden een gemiddelde over een heel jaar hanteert. Zeer hoog geluidniveau kan hier worden verrekend met laag tot geen geluidniveau. Windstil weer (geen geluidniveau) kan aan de andere kant door het middelen per jaar heel hoog geluid toestaan, met alle overlast van dien. Een gemeten geluidsimmissie (bijvoorbeeld 60 dB(A) aan de gevel van een woning), hoe hoog ook, kan dan ook nooit (meer) tot de conclusie leiden dat niet aan de norm wordt voldaan. Bij de handhaving zal daardoor iedere relatie met een door bewoners ervaren, of zelfs meetbare geluidsbelasting ontbreken, hetgeen tot grote rechtsonzekerheid zal leiden. Op klachten van omwonenden kan hierdoor niet adequaat worden gereageerd. Een immissienorm in dB(A) voor de gevel van woningen en geluidgevoelige bestemmingen is dan ook onmisbaar voor een adequate handhaving van geluidvoorschriften.

Ook de fraudegevoeligheid van de Lden is groot, omdat controle alleen maar mogelijke is op basis van gegevens van de producent en gegevens van de eigenaar van de windturbines. Dit betekent dat handhaving in feite een wassen neus is, waardoor ook hier de rechtspositie van de burger/omwonende direct in het geding komt en wordt geschaad.

In de Nota van Toelichting is aangegeven, dat voor controle in een emissie-meetvoorschrift is voorzien. Hierdoor kan het geluidvermogen van een windturbine worden gemeten. Daarvoor is wel nodig dat alle andere windmolens in de omgeving worden stilgezet. Dit zal niet gauw gebeuren. Dus zo eenvoudig is zo’n controle niet. En dan nog kan alleen uit die emissiemetingen het jaargemiddelde geluidvermogen worden berekend. En zoals gezegd wordt dan zeer hoog geluidniveau verrekend met laag tot geen geluidniveau.

In vergelijking met de Lden is de dosismaat dB(A) die tot voor kort werd gebruikt uitermate eenvoudig. Voor de dag-, avond- en nachtperiode wordt duidelijk voorgeschreven wat de maximale immissie mag zijn. De ervaringen, bijvoorbeeld in Zijpe in Noord-Holland, Sluis in Zeeuws Vlaanderen en de Noordoostpolder, zijn wat betreft openheid en welwillendheid van de eigenaren van windmolenparken niet erg positief. In de Noordoostpolder blijkt dat de opeenvolgende eigenaren van het aldaar reeds bestaande windmolenpark zich reeds tot aan de Raad van State hebben bewogen me verzoeken om iets te doen aan de geluidsoverlast.(Uit immissiemetingen, die aldaar vereist waren, bleek dat voor dat deel van het windpark dat een nachtnorm had van 35 dB(A) deze norm met 7 dB(A) werd overschreden).  Ook in Zijpe verzet de eigenaar zich consequent tegen alle handhavingsactiviteiten van de gemeente; uw Afdeling heeft zich al herhaalde malen hierover moeten uitspreken. Die ervaringen maken duidelijk dat het voor een adequate bescherming van bewoners van eminent belang is dat er heldere en goed toetsbare normen zijn waaraan moet worden voldaan.

De conclusie is dan ook dat adequate controle en handhaving van de nieuwe geluidnormen (Lden en Lnight) niet goed mogelijk is, weshalve de geluidsnormen in strijd zijn met de rechtszekerheid. De norm is dan in feite een papieren norm, waardoor de omwonenden in de praktijk vogelvrij zijn. Bovendien is dit in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer (zie artikel 18.2, thans artikel 5.2 Wabo) dat nu juist een zorgplicht op het bevoegd gezag legt om de voorschriften die voor de drijver van een inrichting gelden te handhaven. Aan die zorgplicht kan dan immers nauwelijks gestalte worden gegeven.

Verzoek
Ik verzoek u het besluit wijziging milieuregels windturbines onverbindend te verklaren. De maatwerkvoorschriften dienen derhalve eveneens te worden ingetrokken door het ontbreken van een wettelijke grondslag.

3. Maatwerkvoorschriften Noordermeerdijk buitendijks en Wester-meerdijk binnen- en buitendijks

3.1. Procedurele aspecten en bevoegd gezag

B&W van Noordoostpolder (B&W NOP)  geven bij par. 2.2. van de ontwerpbesluiten (wettelijk kader) aan dat bij besluit van 30 november 2010 GS van Flevoland een Wet milieubeheer-vergunning heeft verleend voor bovenvermelde inrichting. Deze vergunning is, zo zeggen B&W, met de wetswijziging van 1 oktober 2010 te beschouwen als een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’.

Met de wetswijziging van 1 oktober 2010 wordt waarschijnlijk de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) bedoeld. Vergunningen die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Wabo nog niet onherroepelijk zijn geworden, maar al wel zijn verleend of aangevraagd, worden onder het oude recht afgehandeld, aldus artikel 1.2, tweede lid, Invoeringswet Wabo.  Omdat de onderhavige vergunning nog niet onherroepelijk is, moet deze derhalve volgens de Wet milieubeheer worden afgehandeld en is thans geen sprake van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’.

Vervolgens stellen B&W NOP  dat door wijziging van de landelijke regelgeving op 1 januari 2011 het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor de inrichting is overgegaan  naar burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid, zo stelt de gemeente, volgt indirect uit artikel 3.3, eerste lid, Bor.

Met de wijziging van de landelijke regelgeving op 1 januari 2011 wordt waarschijnlijk bedoeld de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor op 1 oktober 2010. Op zich kan uit artikel 3.3, eerste lid, Bor indirect volgen dat een ander bestuursorgaan per 1 oktober 2010 bevoegd gezag wordt, maar dat neemt niet weg dat de door GS van Flevoland verleende vergunning  nog niet onherroepelijk is.  Deze moet dus eerst volgens het oude recht worden afgehandeld om te voorkomen dat halverwege de procedure een ander regime moet worden gevolgd. Afhandeling geschiedt ook met en door het vergunningverlenend gezag, in casu GS van Flevoland. Pas daarna kan een nieuw bevoegd gezag, in casu B&W NOP,  de inrichting overnemen. Belanghebbenden menen dat het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.14a Activiteitenbesluit, zeker in de fase dat de vergunning nog niet onherroepelijk is, dermate met deze vergunningverlening is verweven, dat niet B&W NOP, maar GS van Flevoland het bevoegd gezag daartoe is. In feite hadden GS van Flevoland bij het verlenen van de vergunning al moeten beoordelen of maatwerkvoorschriften moesten worden gesteld. Nu zij dat niet hebben gedaan ontslaat hen dat niet van de plicht dit –zij het achteraf- alsnog te doen.

3.2. Inhoudelijke aspecten

Indicatoren Lden en Lnight niet geschikt

Naar mijn oordeel zijn de indicatoren Lden en Lnight, ook voor het stellen van maatwerkvoorschriften, niet geschikt. Ik verwijs in dit verband naar de beschouwingen van het Nationaal Kritisch Platform Windenergie (NKPW) in zijn beroepschrift (zie de punten 56 t/m 59) en zijn zienswijze op het advies van de StAB met betrekking tot het windpark Urk en de onderhavige vergunning (zie de punten 10 t/m 13). Beide stukken worden door NKPW als bijlage bij zijn zienswijze ingebracht.

De normen, in Lden en Lnight uitgedrukt, zijn ook moeilijk handhaafbaar. Niet alleen is men volgens de opgelegde procedure -die de immissie niet meer als maat hanteert- afhankelijk van productie- en emissiegegevens van de vergunninghouder, ook op het overdrachtsmodel van emissie naar immissieberekeningen is het nodige aan te merken. Bovendien gaat het bij Lden om een jaargemiddelde en is overschrijding van Lden en Lnight nauwelijks te constateren. Dit is in strijd met de milieuwetgeving waar heldere, transparante en handhaafbare (immissie)normen dienen te worden gesteld. Voorts zijn deze normen in strijd met de rechtzekerheid van omwonenden. Zie ook hiervoor het beroepschrift (zie de punten 62 t/m 67) en de zienswijze van NKPW op het StAB-advies (zie de punten 26 en 27).

Volgens mij staat artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit er niet aan in de weg om in maatwerkvoorschriften naast of in de plaats van de Lden indicator lagere waarden vast te stellen in andere maten, zoals immissienormen gebaseerd op een etmaalwaarde die tot voor kort ook gebruikelijk waren bij windturbines. Hierdoor wordt de handhaafbaarheid een stuk transparanter, namelijk doordat simpele immissiemetingen aan de gevel van woningen kunnen worden verricht. Het kabinet heeft (ter implementatie van de Europese richtlijn omgevingslawaai (2002/49/EG) bij het ontwerp-besluit omgevingslawaai (W08.04.0002/V) in reactie op de Raad van State er juist op geattendeerd dat het systeem van Lden en het systeem gebaseerd op een etmaalwaarde heel goed naast elkaar kunnen – en ook moeten- bestaan. Lden voor de regeling van geluidbelastingkaarten (zoals ook in de Europese richtlijn omgevingslawaai) is vastgelegd) en de immissienorm op basis van een etmaalwaarde voor concrete situaties, zoals voor windmolens (zie zienswijze NKPW op het StAB-advies  punten 11, 12 en 13). Ik verzoek u  met klem ook hier maatwerkvoorschriften in ieder geval gebaseerd op een etmaalwaarde  te hanteren.

Daarnaast verdient het aanbeveling om  permanent een automatisch geluidmeetnet en meteomast te plaatsen, teneinde beter te kunnen controleren of aan de geluidnormen wordt voldaan.

3.3. Bijzondere lokale omstandigheden

B&W NOP achten i.c. maatwerkvoorschriften noodzakelijk “om cumulatieve effecten van geluid van de verschillende windturbineparken op woningen te voorkomen”. Zij baseren die maatwerkvoorschriften op artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit. Ik acht het van groot belang om bij het stellen van deze maatwerkvoorschriften ook rekening te houden met het ter plaatse heersende achtergrondgeluidniveau, te weten 30 à 35 dB(A) ’s nachts.

Niet alleen op basis van artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, maar dit kan ook op basis van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Op grond van dit laatste artikellid kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid  bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen. Ik meen dat hier wel degelijk sprake is van bijzondere lokale omstandigheden.

Het ter plaatse heersende achtergrondniveau is veel lager dan het niveau waar de gestelde norm van 47 Lden van uitgaat. Het heersende achtergrondniveau ter plaatse is hooguit 35 dB(A) in de nacht. En, zoals u bekend, is de nachtnorm leidend bij geluidhinder van windturbines. Een dergelijk (laag) achtergrondniveau mag toch wel een bijzondere lokale omstandigheid worden genoemd.  Het gaat niet aan en het lijkt ook niet de bedoeling om dit ter plaatse heersende achtergrondniveau fors te overstijgen (zie ook de punten 12 en 13 hieronder). Een maatwerkvoorschrift vanwege  cumulatie van andere windturbines op grond van artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit kan dit niet wegnemen. Echter een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit wel.

Ik wijs daarbij nog op het Besluit landbouw milieubeheer. Ook hier gaat het om een gebiedsgerichte normering, dat ter plaatse zal moeten worden aangehouden, te weten maximaal 35 dB(A) ’s nachts. Dit besluit zal binnenkort in het Activiteitenbesluit worden geïncorporeerd met dezelfde waarden. Het is vanzelfsprekend dat men bij windturbinegeluid daarbij aansluit, zo nodig door het stellen van maatwerkvoorschriften op basis van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit.

Als laatste willen wij B&W NOP op hun eigen geluidbeleid attenderen. In de onlangs vastgestelde nota Geluid, onderdeel Industrielawaai van de gemeente Noordoostpolder -  de basis voor het gemeentelijk geluidsbeleid (en dus ook de basis voor maatwerkvoorschriften)-  stellen B&W vast dat een nachtwaarde van 35 decibel passend is voor dit gebied, gezien de gemeten referentieniveaus en gezien het karakter van het gebied.

“Het doel van deze nota is ook om mensen te beschermen tegen geluidoverlast, het geluidskarakter van het gebied te behouden en bedrijven kaders te geven waarbinnen deze kunnen werken. …. Goed uitgevoerd gebiedsgericht geluidbeleid betekent minder klachten, minder geluidoverlast en tevreden inwoners”, aldus de nota.

Het doet mij deugd dat B&W in de nota de gebieden heeft getypeerd en het achtergrondniveau als maatgevend blijft zien. In casu zou ook hier de daad bij het woord moeten worden gevoegd.  In maatwerkvoorschriften op basis van artikel 3.14a, derde lid, zou derhalve ook in het onderhavige geval rekening met deze achtergrondwaarden moeten worden gehouden.  Ik meen dat toepassing van artikel 3.14a, derde lid, Activiteitenbesluit hier zelfs is aangewezen.

3.4. Eigen geluidbeleid

In het kader van het eigen geluidbeleid van de gemeente Noordoostpolder wijs ik nog op het volgende. Eind 2010 besloten B&W NOP om de vergunning voor het bestaande windpark te actualiseren, omdat zij jaren daarvoor al hadden vastgesteld dat de geluidnorm voor een deel van het park te ruim was vastgesteld met het oog op de plaatselijke heersende achtergrondniveaus. Ik zie niet in dat wat voor een bestaand windpark ter plaatse geldt, niet voor het nieuwe windpark ter plaatse zou moeten gelden. Juist een nieuw windpark dient het plaatselijk heersende achtergrondniveau niet te overschrijden. Gelet hierop kunnen B&W NOP o.i. niet anders dan een maatwerkvoorschrift (of maatwerkvoorschriften) stellen die met het heersende achtergrondniveau rekening houdt.

Ik dring er dan ook bij B&W van Noordoostpolder op aan om, zo dit college het bevoegd gezag is, voor de hierboven genoemde inrichtingen een zodanig maatwerkvoorschrift (of maatwerkvoorschriften) op grond van artikel 3.14a, tweede, respectievelijk derde lid, van het Activiteitenbesluit te stellen, dat niet alleen rekening is gehouden met cumulatie van andere windturbines, maar dat ook rekening is gehouden met het ter plaatse heersende achtergrondniveau van ten hoogste 35 dB(A). Voorts dring ik, gelet op de punten 6, 7 en 8, aan op een transparant en handhaafbaar (immissie)voorschrift gebaseerd op een etmaalwaarde, alsmede een geluidmeetnet ter controle van de voorgeschreven waarden.

4. Maatwerkvoorschriften Zuidermeerdijk binnendijks en Noordermeerdijk binnendijks.

Inzake de maatwerkvoorschriften wordt verwezen naar artikel 3.14a, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften met betrekking tot de inrichting Noordermeerdijk binnendijks én met betrekking tot de inrichting Zuidermeerdijk binnendijks. Op basis van deze artikelen dient het bevoegd gezag eveneens maatwerkvoorschriften vast te stellen voor de Zuidermeerdijk binnendijks en Noordermeerdijk binnendijks. Het geluid van deze inrichtingen kunnen namelijk in cumulatie treden met andere inrichtingen waarvan we momenteel de onderhavige besluiten bespreken. Doordat de cumulatie van de inrichtingen Zuidermeerdijk binnendijks en Noordermeerdijk binnendijks ten onrechte buiten beschouwing zijn gehouden, zijn de besluiten voor de inrichtingen Westermeerdijk buitendijks, Noordermeerdijk buitendijks en Westermeerdijk binnendijks  niet zorgvuldig tot stand gekomen en kunnen daarmee niet in stand blijven. Dit berust op de volgende overwegingen.

4.1. Onderbouwing verzoek voor de inrichting Noordermeerdjik binnendijks

B&W van Noordoostpolder (B&W NOP) hebben bij ontwerpbesluiten van 2 augustus 2011 maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van twee van de vier windparken die behoren tot het zgn. windpark Urk/NOP. Het gaat om het ontwerpbesluit voor de inrichting Westermeerdijk en Noordermeerdijk buitendijks (Nr. M0842-11002) en de inrichting Westermeerdijk binnendijks (Nr. M0842-11001). B&W NOP hebben dit gedaan om te voorkomen dat  de cumulatieve geluidbelasting van de genoemde windparken hoger wordt dan Lden 47 / Lnight 41.

Bij het windpark Urk/NOP behoort ook het windpark Noordermeerdijk binnendijks. Het verbaast, dat ten aanzien van dit windpark geen maatwerkvoorschriften zijn gesteld.

Blijkens bovengenoemde ontwerp-besluiten beogen B&W NOP te bereiken dat de cumulatieve geluidsbelasting ten gevolge van de verschillende windparken, dus ook die van de inrichting Noordermeerdijk binnendijks,  niet hoger wordt dan Lden 47 / Lnight 41.

In de overwegingen van bovengenoemde ontwerp-besluiten staat vermeld dat in de vergunning voor park 3 (d.i.het onderhavige windpark Noordermeerdijk binnendijks) geen voorschriften waren gesteld voor cumulatie van geluid. De initiatiefnemers (aanvragers) van de parken 1 en 2 (respectievelijk  de parken Westermeerdijk en Noordermeerdijk buitendijks, almede Westermeerdijk binnendijks) zijn namelijk met de initiatiefnemer van park 3 overeengekomen (en hebben dit vastgelegd in de vergunningaanvragen) dat zij (park 1 en 2) ervoor zorgen dat de geluidgrenswaarden genoemd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Barim (ook) gecumuleerd niet worden overschreden, aldus B&W NOP.

Echter een onderlinge “afspraak” is toch van iets volstrekt anders dan een maatwerkvoorschrift waaraan dient te worden voldaan. Ook bij de Noordermeerdijk binnendijks zal er sprake zijn van cumulatie ten gevolge van meer windparken, namelijk het binnendijkse en het buitendijkse park. Wanneer er geen maatwerkvoorschrift komt voor het binnendijkse park Noordermeerdijk, zal daar door dit park van rechtswege de volledige Lden 47 mogen worden opgevuld. Dan komt de cumulatieve toegestane geluidsbelasting vanwege het gehele windpark Urk/NOP dus hoger uit. Het feit dat dit zich naar verwachting niet zal voordoen, omdat daarover afspraken zijn gemaakt, is hier o.i. niet relevant; voor het beschermingsniveau van de bewoners en hun rechtspositie bij handhaving is van belang wat er  voorgeschreven wordt.

Ik concludeer derhalve dat het noodzakelijk is , juist om cumulatieve effecten van geluid van de verschillende windturbineparken op woningen te voorkomen, om ook ten aanzien van het park Noordermeerdijk binnendijks maatwerkvoorschriften te stellen met toepassing van artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit.

Ik ben bovendien van oordeel dat ten aanzien van het windpark Noordermeerdijk binnendijks sprake is van bijzondere lokale omstandigheden, omdat het ter plaatse heersende achtergrondniveau ’s nachts ten hoogste 35 dB(A) bedraagt. De Lden 47 / Lnight 41, die als gevolg van het overgangsrecht van de wijziging van het Activiteitenbesluit (wijziging milieuregels windturbines) thans gelden, komen daar ver boven. Om met deze bijzondere lokale omstandigheid rekening te houden kunnen maatwerkvoorschriften voor dit park op grond van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit worden gesteld. Voor een nadere motivering verwijs ik naar de zienswijzen (het hoofdstuk “Inhoudelijke aspecten”)  die (onder andere) NKPW en Dirkzwager bij brieven van 27 september 2011 naar voren hebben gebracht met betrekking tot de ontwerp-besluiten inzake het stellen van een maatwerkvoorschrift voor geluid ten behoeve van de  inrichting Noordermeerdijk en Westermeerdijk  buitendijks, alsmede de inrichting Westermeerdijk binnendijks. Ik verzoek u deze zienswijze, met name het hoofdstuk “Inhoudelijke aspecten”,  als hier herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2. Onderbouwing verzoek voor de inrichting Zuidermeerdijk binnendijks

Ik ben van oordeel dat (ook) ten aanzien van het windpark Zuidermeerdijk binnendijks sprake is van bijzondere lokale omstandigheden, omdat het ter plaatse heersende achtergrondniveau ’s nachts ten hoogste 35 dB(A) bedraagt. De Lden 47 / Lnight 41, die als gevolg van het overgangsrecht van de wijziging van het Activiteitenbesluit (wijziging milieuregels windturbines) thans gelden, komen daar ver boven. Om met deze bijzondere lokale omstandigheid rekening te houden kunnen maatwerkvoorschriften voor dit park op grond van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit worden gesteld.

Voor een nadere motivering verwijs ik naar de zienswijzen (het hoofdstuk “Inhoudelijke aspecten”)  die (onder andere) NKPW en Dirkzwager bij brieven van 27 en 28 september 2011 naar voren hebben gebracht met betrekking tot de ontwerp-besluiten inzake het stellen van een maatwerkvoorschrift voor geluid ten behoeve van de  inrichting Noordermeerdijk en Westermeerdijk  buitendijks, alsmede de inrichting Westermeerdijk binnendijks. Ik verzoek u deze zienswijze, met name het hoofdstuk “Inhoudelijke aspecten”,  als hier herhaald en ingelast te beschouwen.

Verzoek:

Ik verzoek u dan ook om op basis van artikel 3.14a, tweede én derde lid, van het Activiteitenbesluit voor zowel de inrichting Noordermeerdijk binnendijks als de inrichting Zuidermeerdijk binnendijks zodanige maatwerkvoorschriften te stellen dat rekening wordt gehouden met cumulatie van de andere windparken en met bovengenoemde bijzondere locale omstandigheden, te weten het lage ter plaatse heersende achtergrondniveau voor geluid.

Hoogachtend,

Namens belanghebbenden

Martha Pasterkamp

 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...