Voorbeeldzienswijze fase 3

Bureau Energieprojecten

Inspraakpunt windpark Noordoostpolder

Postbus 223

2250 AE Voorschoten


Urk, datum


Betreft: Zienswijze fase 3 Windpark Noordoostpolder


Geachte heer, mevrouw,

Ondergetekenden tekenen bezwaar aan tegen het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet. De ontheffing heeft betrekking op artikel 9 wat betreft het doden van gewone dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, bergeend, brandgans, gierzwaluw, goudplevier, grauwe gans, grutto, kievit, kokmeeuw, kolgans, krakeend, kuifeend, pijlstaart, toundrarietgans, topper, slobeend, smient, tafeleend, wildeeend, wintertaling, stormmeeuw, visdief en de zwarte stern.

Wij voeren hierbij de volgende bezwaren op:

1. De ontheffing is strijdig met artikel 5, welke aangeeft dat het opzettelijk doden van ‘bedoelde vogels’ te doden of vangen.

Artikel 5

Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten ; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen :

a ) een verbod om , ongeacht de gebruikte methode , opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen ;


Artikel 9 biedt weliswaar de mogelijkheid om van dit verbod af te wijken indien geen andere bevredigende oplossing bestaat  en de afwijking het belang dient van (1) de volksgezondheid en openbare veiligheid, (2) de veiligheid van het luchtverkeer en (3) nog enkele hier verder niet genoemde relevante belangen. Het windturbinepark is echter  niet noodzakelijk is uit een oogpunt van openbare veiligheid of volksgezondheid.

Het staat vast dat het park een aanzienlijk aantal aanvaringsslachtoffers zal eisen. Wie een activiteit ontplooit, waarvan hij weet dat daardoor vogelslachtoffers zullen vallen, maakt zich schuldig aan opzettelijk doden.

Blijkens de eigen rechtspraak van de Raad van State (zie 13 mei 2009, Bouwrecht 2009, p. 697) vormen dwingende redenen van groot openbaar belang geen grond voor de ontheffing.

2. Het besluit voert oneigenlijke argumenten op

Het besluit voert argumenten op die niet als uitzonderingsregel zoals verwoord in de Flora- en faunawet kunnen worden beschouwd.

Het besluit noemt het belang van het behalen van Europese afspraken en verplichtingen ten aanzien van duurzame energie. Artikel 75 lid 5 zegt:

5.Vrijstellingen en ontheffingen worden tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Tevens worden belangen uit artikel 9 genoemd, welke al in punt 1 werden genoemd.

Wij wijzen u erop dat:

a. De Europese Unie verplicht de lidstaten niet tot de bouw van grootschalige windparken, die leiden tot schade aan vogel- en vleermuispopulaties. Tevens dienen alternatieven te worden onderzocht welke minder schade aan natuur toebrengen. De overheid en initiatiefnemers hebben dit onvoldoende uitgevoerd.


b. De bewering dat het windpark de veiligheid en volksgezondheid dient snijdt geen hout


Volgens het besluit is artikel 9 van toepassing op dit project omdat door klimaatverandering veiligheid en volksgezondheid in gevaar komen. Ook als klimaatverandering veiligheid en gezondheid in gevaar brengt leidt dit niet tot de conclusie dat grootschalige windparken de oplossing van dit probleem zijn. Bovendien leidt de bouw van grootschalige windparken tot veiligheids- en gezondheidsrisico’s, hetgeen uitgebreid in de MER is omschreven.


c. Jurisprudentie wijst uit dat natuurbehoud belangrijker kan zijn dan volksgezondheid


Als er een alternatief is dat geen of veel minder effecten heeft dient dat voor de natuur minder belastende alternatief te worden gekozen. Stel bijvoorbeeld dat het alternatief meer geluidhinder voor omwonenden meebrengt. In dat geval dient toch voor dit alternatief te worden gekozen. Dat is alleen anders als die geluidhinder zodanig ernstig is dat er strijd ontstaat met de wettelijke normen op dat punt. Dan is er immers niet meer sprake van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief.


3. Cumulatieve effect meerdere windparken dienen te worden onderzocht

De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarde dat een vrije opening voor vogels wordt gecreëerd en het aantal slachtoffers onder vogels en vleermuizen wordt gemonitored. Gesteld wordt dat hierdoor de 1% sterftenorm zoals geformuleerd door het ORNIS comite niet wordt overstegen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met cumulatieve effecten veroorzaakt door het feit dat meerdere grootschalige windparken in het IJsselmeer gepland zijn (er zijn momenteel zeven windparken aangemeld voor versnelde periode). Het is onduidelijk hoe het gedrag van vogels en vleermuizen zal veranderen door de aanwezigheid van meerdere grootschalige windparken. Dit moet eerst worden onderzocht.

4. Monitoren slachtoffers onvoldoende gewaarborgd


De monitoring van slachtoffers moet waarborgen dat de 1% norm niet wordt overschreden. Wij vragen ons echter af of effectieve monitoring, met name onder vleermuizen, gewaarborgd is aangezien de meeste lichamen in het water terecht zullen komen en de slachtoffers in de meeste gevallen zeer klein van formaat zijn. Wij vragen ons af hoe lang een lichaam op of onder het wateroppervlakte te vinden is, en hoe de frequentie en kwaliteit van het monitoren gewaarborgd kan worden.

5. Ontheffing vleermuizen onvoldoende gestaafd

Zonder aanvullende informatie waaruit blijkt dat het windturbinepark geen significant negatieve effecten zal hebben op de populatie van de Tweekleurige Vleermuis, kan voor het park geen ontheffing worden verleend zonder in strijd te komen met de relevante regelgeving. In het Vleermuizenrapport wordt ten onrechte wordt geconcludeerd dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op de ter plaatse aanwezig vleermuissoorten. Ten onrechte is onrechte uitsluitend naar de instandhoudingsdoelstelling voor de meervleermuis gekeken, terwijl in het plangebied onder andere de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis ook voorkomen.

Verder zijn wij van mening dat het onderzoek naar de meervleermuis te beperkt is geweest en is verricht in de verkeerde periode van het jaar en daarmee een onvolledig beeld geeft van de effecten op deze soort.

De bestuursafdeling van de Raad van State concludeerde eerder het volgende: “Uit de onderzoeken komt naar voren dat de effecten zich kunnen voordoen op de hoogvliegende soorten. Dat de aantallen van de soorten slechts gering zijn ten opzichte van de totale aantallen vleermuizen in het gebied, wil nog niet zeggen dat er geen effecten voor vleermuizen kunnen zijn. Juist voor die drie genoemde soorten kunnen er gevolgen zijn voor de populaties van die soort. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de kolonie van de Tweekleurige vleermuis één van de drie populaties in Nederland is. Daarmee kunnen effecten op de populatie ook gevolgen hebben voor de landelijke populatie.”


6. Meer onderzoek naar vleeermuispopulaties noodzakelijk


Ontheffing kan niet worden verleend tenzij meer gegevens bekend zijn over de populatie tweekleurige vleermuis in het gebied bekend is. Hoe kan de 1% sterftenorm worden toegepast als niet eens bekend is hoe groot de populatie van de tweekleurige vleermuizen voor de bouw van het windpark is? Aangezien deze vleermuis slechts zeer sporadisch in Nederland is aangetroffen mogen geen risico’s ten aanzien van de instandhouding worden genomen. Monitoren na de bouw van het windpark en ‘finetunen’ van de stilstandvoorziening kan mogelijk voor de tweekleurige vleermuispopulatie in het gebied te laat zijn.


Hoewel er meer informatie beschikbaar is over de gewone en ruige dwergvleermuis, is van deze soorten aangetoond dat zij op risicohoogtes vliegen. Daarom geldt ook voor deze beschermde soorten dat maatregelen achteraf funest kunnen zijn.


7. Burgers krijgen onvoldoende informatie en tijd in de Flora- en faunawet ontheffingsprocedure


Ondergetekenden proberen sinds de uitspraak van de Raad van State inzake Windpark Noordoostpolder op 8 februari 2012 tevergeefs informatie te verkrijgen over de procedure en deadlines in de Flora- en faunawet ontheffingsprocedure. Wat ons bijzonder frustreert dat de procedures vlak voor de zomervakantie ter inzage zijn gelegd en dat de uiterlijke datum voor bezwaar tevens in de vakantie valt. Dit maakt het onmogelijk voor burgers om op een zinvolle manier deel te nemen in de besluitvorming. Om deze reden achten wij de procedure ondemocratisch en menen dat de besluitvorming opnieuw ter inzage dienen te worden gelegd op een tijdstip dat een zinvolle bijdrage mogelijk is.

Naam

Adres

Handtekening

 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...