Voorbeeld Zienswijze Vleermuizenonderzoek

Urk heeft een lange geschiedenis als gastvrij dorp. Dat dit zich niet beperkt tot ontvangst van mensen, bewijst het vleermuizenonderzoek  uit de Milieu Effect Rapportage (MER). Vele vleermuizen vinden namelijk toevlucht op en rondom Urk. Vroeger werden zij verstoten als vliegende ratten maar vonden buiten de stedelijke kern een geschikte verblijfplaats op ons eiland. Onze passieve maar tolerante houding zorgde ervoor dat bijna uitgestorven vleermuizensoorten in populatie konden toenemen. Inmiddels is de maatschappelijke kijk op vleermuizen veranderd en zijn zij zelfs beschermd op nationaal en Europees niveau. Desalniettemin worden deze bedreigde dieren opieuw bedreigd door Nederlands economische expansiedrift.

Inleiding
De Koepel Windenergie Noordoostpolder  (KWN) heeft in september 2006 zeven dagen onderzoek gedaan naar vleermuizen. In het najaar van 2007 is er ook eenmalig onderzoek uitgevoerd. Dit beperkte en inmiddels verjaarde onderzoek heeft geleid tot “gekleurde” conclusie waarbij de KWN de aanwezigheid van zelfs zeldzame vleermuizen negeert. Hieronder zullen de meest in het oog springende onjuistheden worden aangetipt zodat men zelf een kritische blik op het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies kan vormen.

Omvang onderzoeksmethode
Het onderzoek naar vleermuizen in algemeen staat nog in kinderschoenen. Elk jaar worden nieuwe inzichten vergaart en leert men van fouten uit het verleden. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2006 en mist daarmee cruciale nieuwe inzichten van de afgelopen jaren. Ondanks dat het onderzoeksrapport pas eind 2008 is gepresenteerd, heeft men geen gebruik gemaakt van nieuwe inzichten.

Om het onderzoek enigszins toetsingskader te geven, word gekeken naar “Het protocol voor vleermuisinventarisaties, 2 april 2009”. Dit protocol is op gesteld door de Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging VZZ en NGB. Het onderzoek houdt zich grotendeels aan het protocol. Zo word gekeken naar verschillende soorten, weeromstandigheden en literatuur. Het onderzoek slaat echter de plank mis bij de omvang. Bij een onderzoek moet men namelijk niet alleen kijken naar een paar meter rondom de locatie van windmolens maar ook ver daar omheen. Vleermuizen hoeven namelijk niet alleen te wonen op de locatie maar kunnen deze nog wel gebruiken als vliegroute, de dijk als oriëntatie, voedsel of migratiegebied. Bovendien vraagt elke soort een andere aanpak. Met een constatering van maar liefst acht soorten, zou dit moeten leiden tot totaal andere uitvoering.

Het onderzoek heeft spreekt zelf al over een gestuwde trek. Dit houdt in dat vleermuizen uit de hele omgeving (Noordoostpolder, IJsselmeer, Friesland) de dijk gebruiken als een soortement snelweg. Vleermuizen hebben namelijk een ingebouwde radar waarmee landschappelijke lijnen gebruiken als oriëntatiepunt. Bij bosrijke gebieden kunnen dit bomen zijn maar in het vlakke landschap van de Noordoostpolder vormt de dijk dit oriëntatiepunt.

Het onderzoek heeft duidelijk gekeken naar vleermuizen die over deze “snelweg” hebben gevlogen. Maar hoe breed is deze snelweg eigenlijk? De dijk als oriëntatiepunt hoeft namelijk niet te betekenen dat dit direct leid tot vliegverkeer pal boven de dijk. Vleermuizen hebben een ruim radarbereik waarbij men ver naast de dijk over land of over water kunnen vliegen. Bovendien ligt dit eerder in de verwachting aangezien er nu ook al kleine windmolens op de dijk staan. Het lijkt dan ook haast lachverwekkend dat een van de luisterkistjes in een zendmast pal naast een windmolen is geplaatst.

Verkeerde uitgangspunten
Urk is pas onlangs in kennis gesteld met deze groteske plannen. Dit terwijl de plannen al ruim 10 jaar geleden werden gevormd. De afgelopen 10 jaren hebben de plannen wel elke andere vormen gekregen. Zo zijn de windmolens in grootte en aantal gegroeid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de het vleermuizen onderzoek drie jaar geleden sprak over mogelijke aanvaringen met de rotor op 50 meter hoogte. De hoogte is echter flink toegenomen en eerlijk gezegd nog steeds variabel door het onbekende 0-punt (maaiveld, dijklichaam, zeebodem, NAP, zomer of winterpeil).

De plaatsing van de windmolens is eveneens sterk in ontwikkeling geweest. Zo laat figuur 1 in het onderzoeksrapport de beoogde locaties uit 2002 zien. Dit is al een andere situatie dan de legenda uit de TU delft visualisatie analyse uit 2009. En beide plaatjes zijn weer verschillend van de uiteindelijke MER locatie. Het onderzoek had dus al direct een valse start door deze onjuiste gegevens.

Zo word er bijvoorbeeld ook niets gerept over de reeds bestaande windmolens.
Het onderzoek vermeldt ook een apart kopje aan binnen- en buitendijkse transecten, verlichting en wind. Bij alle drie onderwerpen was men niet in bezit van juiste gegevens om correcte informatie weer te geven.
Bij de binnen- en buitendijkse transecten heeft men namelijk niet de juiste locaties of hoogten van de windmolens. Het onderzoek vermeldt zelf al dat metingen buitendijks  op water niet mogelijk waren. Dit terwijl het protocol voorschrijft om bij slechte weersomstandigheden terug te komen op mooi weer. Andere omgevingscondities kunnen namelijk leiden tot ander gebruik van het gebied. Dit is echter zowel binnendijks als buitendijks uitgebleven. Bij de gegevens die wel zijn onderzocht word wederom verwezen naar de beperking in omvang van het onderzoek c.q. transecten.

Inzake verkeerde gegevens spring het kopje verlichting eruit. Het onderzoek gaat uit van verlichting in de vorm van een rode lamp met een lage intensiteit. Navraag bij de presentatie van de MER in het provinciehuis bracht als snel naar voren dat men geen rekening heeft gehouden met de huidige eisen en toekomstige eisen van Verkeer & Waterstaat. Een normale kleine landwindmolen kan weliswaar voldoen met een rode lamp maar de windmolens van het huidige formaat en zelfs nog deels in het water kennen andere normen.  Het bureau Pondera gaf tijdens de presentatie aan dat niet word uitgesloten dat elke windmolen net als in Emden drie constant knipperende lichten verplicht is. Momenteel is de huidige regelgeving inzake veiligheid voor luchtvaart en scheepsvaart namelijk nog niet toegespitst op windmolens van deze omvang. Ervaringen uit het windmolenpark in de Noordzee schrijven wel direct een mistdetector, misthoorn, scheepvaartverlichting, tussenverlichting, luchtvaartverlichting en radar reflectie voor. Het is een veilige aanname dat het onderzoek een hele andere wending zou krijgen wanneer men van tevoren op de hoogte was van deze gegevens.

Interpretatie cijfers
Ondanks de beperkte omvang van het onderzoek zijn er maar liefst acht verschillende soorten vleermuizen waargenomen. De ene vleermuis komt vaker voor in het gebied dan de ander. Deze lezing van gegevens geven echter een verkapt beeld. Men moet namelijk ook bekijken hoe vaak die ene soort vleermuis landelijk of zelfs europees voorkomt. Vanuit dit oogpunt komt de tweekleurige vleermuis weliswaar schaars voor in het plangebied maar representeert het waargenomen aantal  wel 33 % van de landelijke populatie. De cijfers en de daarmee verbonden conclusies kunnen dus op verschillende wijze worden weergegeven.

Schadelijke effecten
Het onderzoek staat stil bij schadelijke effecten per soort. Ze kijken eerst naar hoe vaak het soort is waargenomen. Hierboven is al aangegeven dat het onderzoek te beperkt en op basis van verkeerde gegevens is uitgevoerd. Hierdoor is het onderzoek onjuist voor een goede conclusies op basis van aantallen. De tweekleurige vleermuis komt bijvoorbeeld weinig voor in het plangebied maar vertegenwoordigd wel 33% van de landelijke populatie. De rosse vleermuis is zeer vaak waargenomen maar net buiten de beperkte transecten. Het onderzoek is echter uitgevoerd eind september terwijl de kraamverblijf-, zomerverblijf-, foerageergebied en vliegroute van de rosse vleermuis (volgens protocol) alleen in de periode 15 mei tot  uiterlijk 15 september kan worden waargenomen. Een zeer beperkte conclusie op basis van soorten is wel mogelijk: alle soorten worden bedreigd door de windmolens.

Het onderzoek gaat uit van aanvaringsmogelijkheden met de windmolens. Hoewel bij vogels deze mogelijkheid zeer waarschijnlijk is, is deze bij vleermuizen beperkt. U vraagt zich misschien af hoe een windmolen dan schadelijk kan zijn voor de vleermuizen. Dit is onderzocht door de Universiteit van Calgary (Canada), gepubliceerd in het vakblad Current Biology. Zij hebben vastgelegd dat vleermuizen in grote aantallen bij windmolens overlijden door barotrauma. Dit houdt in dat de longen van de vleermuizen worden opgeblazen door de plotselinge drukverschillen die worden veroorzaakt door de wieken van de windmolens. Dit onderzoek vond plaats onder zeer lichtere omstandigheden dan het beoogde windmolenpark. Door de omvang van het windmolenpark zal het luchtdrukverschil een bundeling zijn waarmee een groot gebied direct dodelijk is voor alle soorten vleermuizen.

Vleermuizen die wellicht buiten deze dodelijke zone migreren, jagen, vliegen of verblijven zullen door de verlichting of verstoring van de echolokatie vanwege de verplichte radarreflectie worden aangetrokken tot een zekere dood. Het vleermuizenonderzoek in de MER stelt zelf al dat potentiële slachtoffers worden opgeruimd door aaseters. Deze aantallen zullen echter niet ongemerkt voorbij gaan.

Het onderzoek beperkte zich tot een bepaalde hoogte in bepaalde transecten. Hierdoor is onduidelijk hoeveel slachtoffers zullen vallen door de windmolens. Een luchtdrukverschil met een rotordiameter van 127 meter zal zich niet alleen beperken tot een hoogte van 48 meter tot 52 meter. Het onderzoek is daarnaast niet alleen onjuist op vertikaal gebied maar ook horizontaal gebied. Door de valse start vanwege verkeerde omvanggegevens en opstellingen, is het onderzoek zeer beperkt op transecten uitgevoerd. De dodelijke zone en daaraan liggende risicogebied trekt zich vele malen verder uit dan de transecten. Deze zone ligt over Urk en Lemmer die als enige bebouwing en bebossing in het gebied functioneren als verblijfplaatsen.

De enige veilig getrokken conclusie is daarom dat er slachtoffers van alle soorten zullen vallen van ongekende omvang.

Wetgeving
Vleermuizen in het algemeen zijn beschermd. De ene soort kent meer bescherming dan de andere soort. Deze bescherming is verankerd in regionale, nationale en Europese en zelfs internationale wetgeving. Voor het plangebied moet worden getoetst aan de Habitatrichtlijn, Bern-conventie, Bats Agreement, Bonn-conventie en Flora- en Faunawet. Daarnaast kan men de “rode lijst” in acht nemen. Deze regelgeving is uitgebreid en stof voor lange juridische pleidooien.

In het kort betekend dit dat het verboden is om vaste rust- en verblijfplaatsen waarin zich kraamkolonies, paarverblijven, overwinteringsplaatsen en verblijven te beschadigen, vernielen, uit te halen, weg te nemen, vervoeren of te verstoren. Belangrijke migratie- en vliegroutes en foerageergebieden (voedselgebieden) die van belang zijn voor de instandhouding van een vaste rust- of verblijfplaats van de soort op populatieniveau, vallen hier ook onder.

Zelfs op basis van dit verkeerd uitgevoerde onderzoek is al duidelijk dat het windmolenpark dit verbod op verschillende punten zal overtreden. De dijk en het gebied daarom omheen is een belangrijke migratie- en vliegroute en zelfs voedselgebied. Onder bepaalde omstandigheden kan een ontheffing worden verleend. Op het gebied van de Flora en Faunawet kan dit slechts alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Als men alleen al naar de Tweekleurige vleermuis kijkt, zal één van de drie bekende verblijfplaatsen in Nederland ernstig worden verstoord. De populatie zal ongeveer 33% afnemen.

Vanuit nationaal belang zou men wellicht kunnen redeneren dat het voortbestaan van de mens het uitsterven van bepaalde soorten overtroeft. De plaatsing van de windmolens op dit gebied is echter louter en alleen ingegeven door economische beweegredenen. Andere locaties zouden eveneens geschikt kunnen zijn zonder deze ernstige impact op de vleermuizenpopulatie. Mogelijke ontheffing behoort daarmee niet tot de mogelijkheden.

Op gebied van nationale wetgeving is duidelijk dat het windmolenpark ongewenst is. Ontheffing is niet mogelijk waardoor men moet verder kijken naar andere locaties. Wanneer de tunnelvisie word voortgezet, behoort het Europese Hof tot de mogelijkheden. Het bovenstaande maakt het overbodig om verder uit te leggen dat de korte conclusie over wetgeving van het Altenburg & Wymenga onderzoeksrapport niet klopt.

MER conclusie
Het onderzoek van Altenburg & Wymenga vormt de basis van de MER inzake vleermuizen. Hierboven is uitgebreid beschreven dat de onderzoekers wellicht naar beste weten en kunnen hebben gewerkt maar op basis van verouderde kennis en verkeerde gegevens. Het rapport is daarom niet correct en daarmee is ook de conclusie in de MER niet juist.

Het is overigens wel opmerkelijk dat de MER spreekt over een tweede onderzoek langs de Friese kust waarbij vele meervleermuizen zijn waargenomen. Gelet op het bovenstaande is duidelijk geworden dat het milieu effect rapportage inzake vleermuizen zeer beperkt is uitgevoerd nu blijkt dat de effecten van de windmolens verder gaan dan een paar meter van de mast. Hoewel een tweede rapportage over het aanreikend gebied van de transecten maar binnen de gevarenzone zou moet worden opgenomen in de MER.

Slot
Ondanks dat het onderzoek zeer beperkt op basis van verkeerde gegevens is uitgevoerd, bevat het voldoende handvaten om te concluderen dat de windmolens een onredig grote inbreuk op de vleermuispopulatie zal hebben. Vanwege luchtdrukverschillend zal een dodelijke zone worden gecreëerd rondom de windmolens. Alle vleermuizen in deze zone zullen imploderen.

Doordat de dijk als enig referentiepunt in het landschap van zowel water als land word gebruikt, zal de gestuwde trek worden aangetast. Eveneens zullen bestaande populaties op Urk en in Lemmer in aantallen afnemen doordat zij niet buiten hun verblijfplaats kunnen vliegen voor paren, migreren of voedsel. Met name vleermuizen op Urk zullen worden ingesloten door het ijzeren gordijn met de luchtdrukverschillen.

Zeldzame vleermuizen zoals de tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis en meervleermuis zullen direct onderhavig worden aan de gevolgen. De beschermde status van deze vleermuizen worden gepasseerd door het beperkte onderzoek. Hoewel dit onderzoek een tweede onderzoek adviseert tijdens de bouw is dit nimmer de strekking geweest van een MER. Een MER moet namelijk voorafgaand aan grote bouwprojecten de milieu effecten in kaart brengen. Nu blijkt dat de luchtdrukverschillen sowieso aanwezig zullen zijn, zal een tweede onderzoek alleen de omvang kunnen bevestigen maar niet de schadelijke gevolgen kunnen ontkennen of beperken.


Tot slot is het een “kort-door-de-bocht” genomen conclusie dat er geen verblijfplaatsen zijn, dus geen vleermuizen en dus geen ontheffing nodig is. Dit bevoegd geen verdere uitleg gelet op het reeds geschrevene.
De MER laat duidelijk zien dat deze lokatie een grote impact zal hebben alleen al op de vleermuizenlocatie. Wanneer men zonder oogkleppen en onbevangen de MER leest, zal men niet anders kunnen concluderen dat men het windmolenpark op een onjuiste locatie wil plaatsen.
 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...